De mythische versus de echte Jezus

Maurice Casey vraagt zich in zijn Jezusbiografie niet alleen af of de grondlegger van het christendom echt heeft bestaan, maar ook waarom allang weerlegde ideeën ook onder wetenschappers populair blijven.

Foto Hollandse Hoogte
Foto Hollandse Hoogte

Moet een mislukt boek van een pas overleden schrijver eigenlijk niet onbesproken blijven ? Moet een recensent niet soms iets bedekken met de mantel der liefde? Ja, dat zou moeten. Tenzij de auteur een onderwerp aansnijdt van uitzonderlijk belang.

Maurice Caseys Jesus. Evidence and Argument or Mythicist Myths? is zo’n boek en als ik me daarover kritisch uitlaat, is het omdat ik denk dat de Britse schrijver de urgentie heeft onderkend van een probleem dat veel meer aandacht verdient.

Dit probleem is breder dan het onderwerp van het boek, dat gaat over de terugkeer van het oude idee dat Jezus van Nazareth niet heeft bestaan en dat hij, net als Isis, Marduk, Zeus, Janus en Nehalennia, een mythische figuur is. Casey (1942-2014) , die begrijpt dat de geesteswetenschappen slechts hun taak vervullen wanneer de resultaten het publiek bereiken, is gealarmeerd omdat niet alleen een deel van het publiek maar ook (niet met het onderwerp vertrouwde) wetenschappers het recente onderzoek negeren en de voorkeur geven aan allang weerlegde ideeën.

Dus bestrijdt hij de argumenten van de ‘mythicisten’. Terwijl zij beweren dat de brieven van Paulus zo weinig over de mens Jezus zeggen omdat Jezus niet bestond, herinnert Casey eraan dat in de Oudheid de meeste informatie mondeling werd doorgegeven. Elders vertelt hij dat overeenkomsten met heidense mythen nog geen ontleningen bewijzen. Enzovoorts. Het is wat rommelig gestructureerd, maar het ongelijk van de mythicisten wordt voldoende duidelijk.

Een terugkerend punt is dat de sceptici niet begrijpen hoe historici werken. De mythicist wil dat iets óf waar óf onwaar is, terwijl de oudhistoricus waarschijnlijkheden ziet. De mythicist ziet in elkaar tegensprekende bronnen het bewijs dat ze onwaar zijn, terwijl de oudhistoricus ze benut om het aannemelijke te scheiden van het minder aannemelijke. De mythicist bouwt zijn reconstructies op wat hij vindt in de bronnen, terwijl de oudhistoricus de bronnen beschouwt als onvolledig en onderzoekt of (en waarvoor) ze representatief zijn. De mythicist, concludeert Casey, denkt in feite als een fundamentalist: de geschreven bronnen zijn alle informatie die je nodig hebt en moeten onderling consistent zijn.

Helaas schiet Casey vaak zijn doel voorbij. Een voorbeeld is de sceptische claim dat de evangeliën pas aan het eind van de tweede eeuw zijn ontstaan omdat de oudste manuscripten ervan uit deze eeuw stammen.

Dode Zee-rollen

Casey wijst erop dat er wel degelijk oudere papyri bestaan en dat de wereld van de evangeliën dezelfde is als die van de Dode Zee-rollen, de rabbijnse literatuur en Joodse auteurs als Philo van Alexandrië en Flavius Josephus. De gebruikelijke opvatting is daarom dat het Marcus-evangelie dateert van rond het jaar 70 en dat de evangeliën van Mattheüs, Lucas en Johannes in de kwart eeuw daarna zijn geschreven.

Hier had Casey het bij kunnen laten. Hij kiest echter voor een extremere positie: Marcus schreef rond 40, zo’n tien jaar na de kruisiging. Deze theorie, opgesteld door Caseys leerling James Crossley, is ongebruikelijk en een mythicist kan vrij makkelijk ontdekken dat ze in wetenschappelijke kring omstreden is. Door een bekritiseerde interpretatie te verdedigen, maakt Casey het zijn opponenten makkelijk hem te negeren.

Een tweede moeilijkheid is dat Casey vooral argumenten wil weerleggen. Waarom het mythicisme populair wordt, interesseert hem minder, hoewel hij drie oorzaken noemt: weerzin tegen religieus fundamentalisme doet mensen zoeken naar andere manieren om de evangeliën te lezen, desinformatie verspreidt zich makkelijk via internet en mythicisten gebruiken verouderde literatuur.

Betaalsites

De laatste twee oorzaken zijn vanzelfsprekend kanten van dezelfde medaille. Terwijl honderdduizenden oude boeken online beschikbaar kwamen, werden leeszalen gesloten en verdween de wetenschappelijke literatuur achter slot en grendel op betaalsites. De terugkeer van verouderde informatie is het onvermijdelijke gevolg en de mythische Jezus is daarvan beslist niet het enige voorbeeld. Bad information drives out good en nationalisten en fundamentalisten hebben de laatste jaren buitengewoon veel schade toegebracht aan de publieke kennis van de oude wereld.

Het siert Casey dat hij terugschrijft, maar het probleem zit dieper dan de twee à drie door hem genoemde oorzaken. In de westerse wereld is een derde van de bevolking hoogopgeleid en deze groep denkt, om redenen die buiten het bestek van deze bespreking liggen, steeds kritischer over de wetenschap. Onderzoekers kunnen niet langer volstaan met het presenteren van wat feiten, aangezien de sceptische burger – zoals iedereen overigens – uit het informatieaanbod selecteert wat hij kan gebruiken. Sinds de jaren negentig moet de universiteit concurreren met andere bronnen van informatie. Het antwoord is bekend: voorlichters moeten niet alleen de feiten maar ook het wetenschappelijke proces uitleggen. Dat is echter niet genoeg, want ook dan zullen er mensen zijn die het niet geloven wíllen. De cruciale stap is het ontdekken van de ongerustheden die het publiek ervan weerhouden wetenschappelijke inzichten te aanvaarden.

Casey zet deze stap niet, wellicht omdat academici emotionele argumenten, zoals frustratie over fundamentalisme, beschouwen als niet ter zake. Die emotionele argumenten zijn voor de sceptici echter reëel en wie hen wil overtuigen, moet daarmee rekening houden.

Pauselijke corruptie

Doordat Casey de kern van de zaak negeert, blijft het boek een preek voor de eigen, academische parochie. Geen mythicist zal zich ervan laten overtuigen dat de wetenschappelijke methode echt de meest redelijke is. Als het boek dan ook nog wordt ontsierd door sneren naar pauselijke corruptie en ad hominem-argumenten, is er voor sceptici voldoende te bekritiseren om dit boek op te vatten als bewijs dat de geesteswetenschappen het spoor bijster zijn. Uit internetfora blijkt dat ze die conclusie inmiddels ook hebben getrokken. Caseys boek, dat precies het tegendeel bereikte van wat de auteur beoogde, is mislukt.

Desondanks is Jesus. Evidence and Argument or Mythicist Myths? een belangrijk boek. De auteur is een van de eerste geesteswetenschappers die begrijpt dat het publiek, als de voorlichting niet mee groeit met het opleidingspeil, zich van de wetenschap kan en – zoals blijkt – zal afkeren.

Casey heeft zijn best gedaan, maar om het draagvlak voor de geesteswetenschappen te herstellen is veel, heel veel meer professionaliteit nodig.