Wie biedt kritische kunst de ruimte?

Kunstenaar werd door Hans den Hartog Jager geprezen in diens kritische essay over de beperktheid van ‘linkse’ kunst. Maar volgens Martens ziet Den Hartog Jager iets over het hoofd: de curator.

Illustratie Olivia Ettema
Illustratie Olivia Ettema

Het artikel Geëngageerde kunstenaars: de wereld luistert niet van Hans den Hartog Jager in het Cultureel Supplement van 18 september, maakt een belangrijk punt. Den Hartog Jager schrijft dat kritische kunst een rituele dans is verworden, waarbij van tevoren al vaststaat dat die kritiek geen enkel effect zal hebben. Hij kritiseert curatoren Charles Esche, Jelle Bouwhuis en Maria Hlavajova en kunstenaar Jonas Staal. Omdat Den Hartog Jager mij, naast Yael Bartana, aanhaalt als een kunstenaar die wel interessante dingen zou doen, voel ik me geroepen om te reageren.

Een groep kunstenaars, onder wie Ahmet Ohgut, Nicoline van Harskamp en Sara van der Heide, alle drie uit Nederland, dreigde onlangs de Sydney Biennale te boycotten. De grootste sponsor van de biënnale was Transfield, een Australisch conglomeraat dat ook detentiekampen voor asielzoekers uitbaat. In die kampen worden mensenrechten op grove wijze geschonden. Daar wilden deze kunstenaars niets mee te maken hebben.

De boycot maakte heel wat los, en Transfield trok zich terug. Dat was een grote overwinning, en het gaf de biënnale de kans om zich ten volle te verhouden tot de economie waarin zij zich afspeelt. Ik heb toen besloten mijn werk Episode 3 – Enjoy Poverty wel op deze biënnale te laten zien. Niet ondanks het sponsorship van Transfield, maar juist daarom. Het werk toont de huidige situatie – een jonge blanke kunstenaar neemt kapitalisme en oorlog de maat, zonder dat dat veel oplevert. Want zelfs indien enkel de meest vriendelijke bedrijven de biënnale hadden gesponsord; zonder de globale economische segregatie die Transfield voor de Austalische overheid handhaaft, had geen enkele van de uitgenodigde kunstenaars überhaupt naar Australië kunnen vliegen.

Ik denk dus dat Den Hartog Jager een punt heeft: het is te laat om simpelweg kritiek op de wereld te leveren. Die kritiek geeft het publiek de sensatie aan de goede kant van de geschiedenis te staan, zonder dat dat verder iets kost – het vereist bijvoorbeeld niet de geestelijke spankracht om zichzelf binnen de bekritiseerde realiteit te situeren. Wie het wél wat kost, zijn de miljarden mensen die wel willen dat er iets verandert in de wereld, maar doorgaans niet verder komen dan te figureren in een kunstproject. Interessanter is kunst die zich wel bewust is van haar eigen positie, die zich niet wentelt in haar eigen gelijk, en die uitdaagt om de wereld te herinterpreteren.

Ook in zijn recente boek Het Streven beschrijft Den Hartog Jager mijn kunstenaarschap als een case study van kunst die uit zijn cocon wenst te breken. Ik voel mij daarom geroepen de puntjes op de i te zetten.

In zijn artikel Geëngageerde kunstenaars: de wereld luistert niet maakt Den Hartog Jager een cruciale fout: er is namelijk een ruimte nodig om deze vragen te stellen. Die ruimte wordt in Nederland bewaard door de curatoren die Den Hartog Jager bekritiseert.

Maria Hlavajova was de eerste curator in Nederland die mijn werk in een kunstcentrum wilde tonen. Jelle Bouwhuis wijdde, toen daar geen enkele animo voor was, een solotentoonstelling aan mijn film Episode 3. Zonder de steun van Charles Esche is het project in Congo waar ik al deze vragen van een definitief antwoord probeer te voorzien, onmogelijk. Andere curatoren wagen zich daar niet aan. Zonder Esche en Bouwhuis (misschien zijn er nog een of twee) kan ik wel inpakken.

Dan moest ik schilderijen voor een galerie gaan maken. Kunst dus die Den Hartog Jager en ik vreselijk vinden. Kunst die niet buiten het systeem waarin het gemaakt wordt uit kan stijgen. Beste Hans, gelieve kritiek niet te verwarren met het ontnemen van ruimte voor kritiek. Esche en Bouwhuis scheppen die ruimte.