Van jazzkelder tot hippe ‘black box’

Wat begon als een ‘fietsenstalling aan de Oudeschans’ is in veertig jaar tijd uitgegroeid tot een internationaal gewaardeerd jazzpodium. Het cynisme over de verhuizing naar het Muziekgebouw aan ’t IJ heeft onder musici en publiek snel plaatsgemaakt voor blijdschap.

Op de eerste rij zat hij. Microfoon omhoog, taperecorder op schoot. Zo’n 1.500 bandjes moet bezoeker Jacques Waisvisz (96) sinds de jaren zeventig van concerten in het Bimhuis hebben gemaakt. Eerst met een wat ‘minderwaardig apparaat’, daarna kwam er een degelijker model. Zijn missie? De jazz vangen. Neem het Willem Breuker Kollektief of het ICP-orkest. In eerste instantie maakten die nog geen elpees. De muziek was anders gewoon wég.

Wie ook in het Bimhuis stond, Waisvisz vroeg de muzikanten altijd om toestemming. Meestal kreeg hij die. Soms niet. Zoals van de bassist Charles Mingus. „Dan nam ik het concert stiekem op. Gaf ik hem de volgende keer dat ik hem zag een kopie. Was hij dan toch wel blij mee.” Opnemen doet Waisvis al twintig jaar niet meer. „Ze doen het nu allemaal zelf.” Maar in het Bimhuis probeert de hardcore jazzfan nog altijd zoveel mogelijk te komen.

Alle Waisvisz-tapes zijn bij het Nederlands Jazzarchief een waardevol onderdeel van de collectie. Daarnaast herrijst in dit jubileumjaar het oude Bimhuis-label met oude archiefopnames. Niet per se de bootlegs van Waisvisz. Wel de concertopnames met professionele apparatuur. De eerste uitgaven zijn concerten van The Ex, Lee Konitz en pianist Guus Janssen.

Het jazzpodium Bimhuis jubileert, en dat valt te merken aan een volvet jubileumseizoen. De geschiedenis van het instituut wordt gevierd met cd’s, foto-exposities, interviews en lezingen – prominente sleutelfiguren en jazzvogels van allerlei pluimage komen aan het woord. Maar natuurlijk klinkt vooral muziek. Want de jazz, zo levend en avontuurlijk, en de interactie tussen de musici – de spanning bij het luisteren, reageren en anticiperen – is in het Bimhuis het hoogste goed.

Stencilapparaat en fax

De transformatie van het jazzpodium in veertig jaar is groot. Artistiek directeur Huub van Riel herinnert zich het drukken van de programma’s met een stencilapparaat en de boekingen per brief en fax nog al te goed. Ongeveer anderhalf jaar na de opening (1974) begon hij bij het Bimhuis – een manusje-van-alles voor de toen „ook wat geïmproviseerde leiding”. Al snel ging Van Riel zich bezighouden met de programmering en nu is hij al jaren artistiek leider.

Het podium vaart een stabiele koers. Met een miljoen gemeentesubsidie en anderhalf miljoen aan eigen inkomsten heeft het Bimhuis jaarlijks zo’n 250 concertavonden. Hoeveel daarvan Nederlandse en buitenlandse bands zijn valt volgens Van Riel bijna niet meer aan te geven. „Steeds meer bands zijn combinaties. Nederlandse bands zijn heel internationaal; musici wonen hier én in New York. Veel groepen werken tegenwoordig op projectbasis.” Concurrentie ziet hij niet. Kleine podia als Zaal 100 en OT301 hebben een belangrijke laboratoriumfunctie. De North Sea Jazz Club is een aanvulling. „Bovendien is het niet onze stijl om in die termen te denken. Liever dat er overal gespeeld wordt dan exclusiviteit als religie.”

Een ontmoetingsplek voor musici, dat heeft het Bimhuis altijd willen zijn. Een „nuttige plek”, omschreef medeoprichter en pianist Misha Mengelberg eens, „die functioneert ten dienste van een circuit”. Opgericht door musici uit de toen nieuwe geïmproviseerde muziek; en in eerste instantie de directe verantwoordelijkheid van musici. Die nauwe betrokkenheid is later doorgeknipt om té democratische programmering te voorkomen. Maar er zitten nog altijd musici in het bestuur.

De geschiedenis van veertig jaar Bimhuis valt in drie periodes uiteen; van een klein basic jazzkot in de eerste tien jaar, tot een open concertzaal die uiteindelijk uitgroeide tot een van de meest moderne, vooraanstaande jazzpodia ter wereld. Nee, het is niet overdreven: spreek een jazzmuzikant aan over deze plek en de glimlach is breed – iedereen wil terugkomen. Jazzmusici als Bill Frissell, Geri Allen, Dave Douglas en Chris Potter maakten als jonge onbekende namen hun debuut voor een handvol luisteraars. Legendes als drummer Art Blakey, bassist Charles Mingus, drummer Elvin Jones kwamen. Blazer Archie Shepp werd er met zijn anarchistische optredens vol declamaties en vurige freejazz huismuzikant.

De jazz in het Bimhuis heeft opmerkelijk genoeg zijn oorsprong in Paradiso. Daar organiseerde saxofonist Hans Dulfer vanaf 1968 wekelijks jazzconcerten op woensdagavond, de ‘vrije’ avond in de popprogrammering. Zo’n drie jaar klonk er jazz. Vaak van Dulfers eigen Heavy Soul Inc., als het jazzhuisorkest, met na de pauze de ‘echte grote namen’, veelal uit Amerika. Toen Paradiso de avond opeiste, vertelt medeoprichter Willem van Manen, fietste hij met Dulfer door de stad op zoek naar een locatie voor de jazz. „Horecaman Henk Elzinga wist een pand aan de Oudeschans, een voormalige meubeltoonzaal vlakbij de Wallen. Groot was het: een kelder, begane grond, en twee verdiepingen erop. We leenden geld om het te huren en zijn er optredens gaan houden.”

Fietsenstalling aan de Oude Schans

Het Bimhuis opende in 1974, verworven dus door dezelfde eigenzinnige types die ook verbonden waren aan de in ’71 opgerichte Beroepsvereniging voor Improviserende Musici (BIM), onder wie saxofonist Hans Dulfer en pianist Misha Mengelberg en Willem Breuker. Eigenhandig was de concertzaal gebouwd, een kot eigenlijk, ook wel ‘de fietsenstalling aan de Oude Schans’, maar wel een echt clubhuis voor de jazz, waar tot diep in de nacht gespeeld kon worden. Trombonist en componist Willem van Manen was vijftien jaar nauw betrokken. Destijds begon hij als lid van de Amsterdamse Kunstraad een zachte lobby. De concerten, in het begin voor een riks, sloegen aan en gaandeweg kwamen subsidies vrij. Het Bimhuis groeide.

Tien jaar later, in 1984, is het gebouw ingrijpend aangepakt. Wijlen Paul Verhey kwam met het plan voor de karakteristieke ‘kuil’. In de als amfitheater vormgegeven zaal was het podium in de uitgegraven kelder, liepen aan drie zijdes tribunes omhoog en was er een galerij rondom. . Een vondst voor zowel het gevoel van intimiteit en saamhorigheid als de akoestiek. „Er werd van beneden naar boven gespeeld. Soms zelfs enkel akoestisch”, zegt Van Manen.

Hete jams

Enige wrijving die ontstond door de nieuwe generatie musici, afkomstig van het conservatorium, „die vond dat ze ook recht hadden te spelen op dit podium”, luwde met de jaren. Van avant-garde tot mainstream, van arrivé tot debutant – dat was het Bimhuis. Er waren hete jams met impro-musici als Sean Bergin als aanvoerder. En rare avonden, zoals toen bassist Jaco Pastorius een uitverkochte zaal trok, maar te ver heen was en enkel Happy Birthday voor zijn moeder zong. En och, die eindeloze pauzes. Dan was weer eens een muzikant verdwaald in de zinnenprikkelende omgeving van de Wallen en Zeedijk. Even oplappen en weer doorspelen.

De uiteindelijke grote verhuizing van het jazzpodium, negen jaar geleden, was noodgedwongen. De pakhuizen die het Bimhuis omringden op de Oudeschans waren verbouwd tot appartementen. Omwonenden klaagden over overlast, aan aangescherpte eisen voor geluidshinder was niet meer te voldoen en isolatie mocht niet baten. In overleg met de gemeente en de IJsbreker, het Amsterdamse centrum voor de nieuwe muziek, werd gezocht naar een nieuwe locatie.

Aan de kop van de Piet Heinkade verrees een nieuw Muziekgebouw, gebouwd door de Deense architecten Nielsen, Nielsen en Nielsen. De aantrekkingskracht van het nieuwe Bimhuis, als een losse, moderne ‘black box’ half in het Muziekgebouw gestoken, is vanaf de start merkbaar. De architectuur, een bewuste stijlbreuk met de rest van het Muziekgebouw, is onweerstaanbaar, de akoestiek is uitstekend, van subtiel tot luid. „The place is a triumph. It’s the same as the old place but better”, constateerde de Amerikaanse jazzcriticus Mike Zwerin voor de Herald Tribune.

De schoonheid van het stadsuitzicht door de raampartij achter de spelende musici blijft verbazen. Maar bezoekers omarmden de nieuwe locatie mede zo vlot dankzij de herkenbare podiumopstelling. De ‘kuil’ ging als het ware mee: ook in het nieuwe Bim wordt in de diepte gespeeld en loopt een halve maan van zitplaatsen trapsgewijs. En houden klapdeuren de bar, in het Bimhuis veel meer dan een foyer, gescheiden van het podium, maar sluiten ze het geluid niet uit. Hier geen ‘kuchsfeer’, maar wel flarden muziek aan de bar, rinkelende glazen en in en uit lopende mensen.

Dat het oude ‘jazzclubgevoel’ hier zou ontbreken heeft de directie dan ook nooit willen horen. Wie het de musici vraagt, hoort over snel verdampt cynisme en blijdschap. Al blijven ze mijmeren over hun oude jazzclubhuis zonder sluitingstijd. Waar geschaakt werd bij het raam. Met geouwehoer aan de bar en jamsessies tot het ochtendgloren. Nu kun je enkel met een concertkaartje nog aan de bar hangen. Of moet je wachten tot na de show. Hoe dan ook; al is de vloer van dit jazzhuis niet meer plakkerig van de nachtsessies, de jazz leeft er onverminderd voort.