Taaie Polen

Zondagmiddag moest ik opeens denken aan het Polenmeldpunt van de PVV. Vrij vroeg in de koers om het wereldkampioenschap op de omloop te Ponferrada meldde het Poolse blok zich aan de kop van het peloton. Ze joegen op een viertal dat zich een klein kwartier verderop voortbewoog. Nu is „jagen” een groot woord, en al helemaal in het jonge stadium van de wedstrijd, toch waren ze met enig vertoon van macht bezig met wat in wielerjargon het „controleren van de koers” heet.

Mocht Geert Wilders op zijn luie zondag gekeken hebben dan moet hij tot zijn ontstentenis hebben vastgesteld dat de Polen zelfs in het wielrennen voor overlast zorgen: de oranjehemden verbleekten per minuut.

Het Poolse initiatief verbaasde me. Wat dit zomaar een gokje of een zelfverzekerde manoeuvre ? Had Michal Kwiatkowski bij een wereldtitel een forse bonus uit privéportemonnee in het vooruitzicht gesteld? Waren zijn benen die in juli nog in een moeras van vermoeidheid spartelden nu weer op punt? In elk geval, Kwiatkowski rondde het uren durende sleurwerk af met de bravoure van een professionele kaartspeler. Polen zette de gevestigde wielerlanden voor schut.

Ik woon in een streek waar nogal wat Polen voor een prettige overlast zorgen. Onlangs ontmoette ik een tuinder die me opgetogen vertelde dat elke Pool op zijn bedrijf niet een maar twee banen inpikt van de Nederlanders. Zo hard werken die lui nu eenmaal. Asjeblieft geen Nederlanders meer voor hem. Die zijn te slap, te duur, niet toegewijd, en over het algemeen te zeer verslingerd aan klaagliedjes en ingedutte gebeden. Met Nederlanders ga je geen oorlog winnen!

De tuinder die zich bekend had gemaakt als wielerliefhebber zei opeens: „Kwiatkowski. Schrijf maar op voor zondag. Kwiatkowski”. Hij was duidelijk een fan van de pas vierentwintigjarige Pool, en begon aan een lange lofzang. Kwiatkowski kon alles. Klimmen, tijdrijden, klassiekers winnen, grote rondes winnen, maar het belangrijkste van alles, hij was niet te beroerd de handen uit de mouwen te steken en dat van het vroege voorjaar tot diep in de herfst.

Niks pieken naar – och arm – één grote koers en daarna een week op een strand gaan liggen. Nee, volle bak erin, ouderwets, elke koers tot het gaatje. De tuinder somde nog een paar namen op van jongens met de juiste spirit: Niemiec, Majka, Marczynski. „Ze komen eraan hoor!”

De opmars van de Polen kon ik niet ontkennen. Maar zou de werklust van vooral Kwiatkowski zich niet tegen hemzelf keren? De fakkel kan snel zijn opgebrand. In de Tour was hij nergens terwijl hij toch gebeten was op een goed klassement. „Welnee”, sprak de tuinder, „die Polen zijn zo verschrikkelijk taai”. En hij maakte een wegwerpgebaar toen ik het podium van het WK voorspelde: Gerrans, Valverde, en onze eigen Tom Dumoulin.