Je gaat bijna medelijden krijgen met ijshockey

IJshockey is een sport met weinig geld, steeds minder clubs en een somber perspectief. Bijna was de competitie niet start gegaan. „Zo kan het niet langer.”

IJshockey in Nederland, het is behelpen. Prachtsport, menen velen; spektakel verzekerd. Maar vooral een sleeping giant die bestuurders maar niet tot leven weten te wekken. De eredivisie is gereduceerd van zeven tot vijf ploegen, waaronder één uit België. De bodem is bereikt.

Ooit, en dan praten we over de jaren zeventig, tachtig en een plukje negentig, was ijshockey hot in Nederland. Vrijwel elke zichzelf respecterende stad had een ijshockeyclub met welluidende namen als Feenstra Flyers, Tilburg Trappers, Rotterdam Panda’s, Nijmegen Tigers of Amsterdam Bulldogs. Spannende competities, volle tribunes en als hoogtepunt in 1980 deelname van het Nederlands team aan de Olympische Spelen in Lake Placid. Dat waren nog eens tijden, zeggen de liefhebbers die het hebben meegemaakt. Maar van die tijden mag anno 2014 alleen nog maar gedroomd worden.

Over IJshockey in Nederland ga je bijna meewarig doen. Er is nauwelijks geld, competities van laag niveau, een beperkt aantal clubs en tot overmaat van ramp wordt na dit seizoen de eredivisie opgeheven, althans in zijn huidige vorm. Heerenveen en Tilburg, de enige steden waar ijshockey nog levensvatbaar is, wijken volgend jaar uit naar de Duitse Oberliga West. Maar op de puinhopen die zij achterlaten moet iets moois groeien – is de hoop van de achterblijvers.

Decennialang opportunisme

Het hart van Theo van Gerwen weent om zoveel misère. Als warmbloedige ijshockeyman gruwt de 137-voudige international van het opportunisme waarmee hij decennialang is omgeven. Hij zag zijn sport steeds verder afglijden. „Omdat er vooral met het hart en niet met het verstand besluiten zijn genomen”, zegt de liefhebber en sinds twee jaar technisch directeur van de ijshockeybond (NIJB). „Clubs vergaten de lange termijn te bewaken. Te vaak werd geïnvesteerd uit clubliefde, om kampioen te worden. En die investeringen liepen nooit parallel met goede jeugdopleidingen. Dat moest wel fout gaan. Misschien is de huidige crisis wel het beste wat de ijshockeysport in Nederland kan overkomen. Nu realiseren de clubs: zo kan het niet langer. We moeten met ons allen een nieuwe weg inslaan.”

Dat besef is er zeker bij Henk Hoekstra, voorzitter van UNIS Flyers Heerenveen. Maar voor hem komt de revolutie te laat. Heerenveen is een gezonde, ambitieuze club die vooruit wil. Sportief heeft Heerenveen in Nederland niets meer te zoeken. Hoekstra is er klaar mee. „In Nederland ontbreekt het al 30 jaar aan structuur, aan continuïteit. Wat is het perspectief? Een eredivisie die met moeite overeind kan worden gehouden en waarvan je jaarlijks kort voor het begin weet of die hoe dan ook doorgaat? In Heerenveen en omgeving is een grote latente belangstelling voor ijshockey. Wij trekken zo’n 1.200 toeschouwers. En als het ergens om gaat stroomt het publiek toe. Die mensen willen graag kwaliteitsijshockey. Die is in de Oberliga gewaarborgd.”

Hoekstra heeft zich afgelopen maand groen en geel geërgerd aan de manier waarop de eredivisie alsnog tot stand is gekomen. Er was even sprake van een reductie tot drie clubs nadat Dordrecht zich had teruggetrokken en Eindhoven Kemphanen en LACO Eaters Geleen – clubs met begrotingen rond de twee ton – op de valreep van deelname afzagen. Pas na veel kwade woorden en een ultimatum van Heerenveen en Tilburg aan Eindhoven en Geleen bleek het mogelijk de eredivisie in stand te houden. Maar hoe aantrekkelijk en hoe levensvatbaar is een competitie van vijf clubs, waar Heerenveen en Tilburg, met beide een budget van zo’n vier ton, bovenuit steken? Mogelijk spelen die twee clubs zestien wedstrijden tegen elkaar. Komend weekeinde gaat het seizoen van start met de strijd om de Ron Berteling-schaal, de strijd tussen landskampioen en bekerhouder.

Begrafenisjaar

Het wordt een begrafenisjaar, weet Van Gerwen. De technisch directeur kijkt liever al verder, naar het seizoen daarop als met Geleen, Eindhoven, Herentals, en misschien nog een aantal Belgische clubs, een nieuwe competitie wordt opgestart. Die ploegen, is de bedoeling, worden in één klasse samengebracht met een tiental teams uit de eerste divisie en moeten een nieuwe, ruim opgezette, gelijkwaardige eredivisie gaan vormen. En vanwege de toegankelijkheid met minimale begrotingen. Binnen vijf jaar – of eerder als het aan Van Gerwen ligt – moet dan de eredivisie, zowel sportief als financieel, in oude glorie hersteld zijn.

Van Gerwen hoopt dan in de toekomstige opzet de alle clubs eindelijk het belang van de lange termijn inzien. De bond wil wel, zegt Van Gerwen. Hij wijst op de het technisch beleidsplan waaruit blijkt dat de opleiding van veelbelovende ijshockeyers serieus wordt genomen. Maar de toekomst van ijshockey staat of valt met geld. En daar heeft de bond een schromelijk tekort aan, helemaal sinds koepel NOC*NSF de subsidiekraan wegens gebrek aan prestaties resoluut heeft dichtgedraaid.

Daar bovenop komen de verlaagde inkomsten door inkrimping van de eredivisie met twee clubs. Scheelt zomaar 30.000 à 40.000 euro aan bondsafdracht. „En dat gaat weer ten koste van het nationale team”, bromt Van Gerwen. „We hebben al een trainingskamp naar Polen moeten afzeggen, omdat er geen geld is. Het is een vicieuze cirkel. NOC*NSF eist prestaties voor geld. Maar zonder geld geen prestaties. Probeer daar maar uit te komen.”

Maar hoe denkt Van Gerwen het gebrek aan geld te verhelpen? „Hard werken en investeren in de jeugdopleiding”, zegt hij. „Ik ben ervan overtuigd dat elke club zijn begroting kan verhogen en de toeschouwersaantallen kan opkrikken. Als ze de schouders er maar onder zetten. Ik weet wel, de budgetten zijn in de nieuwe competitieopzet nog klein, maar met veel goede wil moet het mogelijk zijn van één ton anderhalve ton te maken. Of van 100 man op de tribune 500 man te maken. Er zijn toch ook amateurvoetbalclubs die vanuit de vierde klasse de weg omhoog vinden?”

Ron Berteling, met 53 caps recordinternational, ziet alleen toekomst als minder geld wordt uitgegeven aan buitenlandse spelers en volop in de jeugdopleiding wordt geïnvesteerd. „Spelers in de eerste teams worden nauwelijks uitgedaagd, omdat ze toch wel spelen. Geef veelbelovende spelers een kans. Ik heb ooit een discussie met een bestuurslid van Amsterdam gehad. Die zei: ‘Wat moeten we met die k-u-t-jeugd.’ Waarop ik zei: ‘Ze kunnen soms lastig zijn, maar je zult ze nog eens hard nodig hebben.’”