Een alleenstaande die veel water verbruikt? Verdacht

Een nieuwe wet maakt het mogelijk om naar fraude te zoeken met hulp van allerlei gegevensbestanden.

Foto Thinkstock
Foto Thinkstock

Het is nogal een opsomming, maar lees even door: arbeidsgegevens, gegevens inzake bestuursrechtelijke maatregelen en sancties, detentiegegevens, fiscale gegevens, gegevens over roerende en onroerende goederen, handelsgegevens, huisvestingsgegevens, identificerende gegevens, inburgeringsgegevens, nalevingsgegevens, onderwijsgegevens, pensioengegevens, reïntegratiegegevens, schuldenlastgegevens, uitkerings- toeslagen- en subsidiegegevens, vergunningen en ontheffingen, en zorgverzekeringsgegevens.

Uitkeringsinstantie UWV, de Sociale Verzekeringsbank, gemeenten, de Belastingdienst, het OM, de politie, en de Inspectie SZW mogen al deze gegevens gebruiken om potentiële fraudeurs te ontdekken.

Nieuwe wetgeving hierover, die door velen onopgemerkt is gebleven, ging op 1 september dit jaar in.

1Hoe werkt deze fraudeaanpak?

Een of meer van de hierboven opgesomde bestuursorganen maakt een plan om fraude te ontdekken door verschillende databestanden van de overheid met elkaar te koppelen. Dat gebeurt met het zogenoemde Systeem risico-indicatie (SyRI).

De databestanden worden door een ‘risicomodel’ gehaald. Dat koppelt diverse gegevens aan elkaar, en besluit aan de hand daarvan of een bepaald persoon een frauderisico is. Een simpel voorbeeld: iemand is ingeschreven als alleenstaand (gegevens van de gemeentelijke basisadministratie). Maar op dat adres wordt veel meer water (gegevens van het nutsbedrijf) gebruikt dan een gemiddelde volwassene doet. Een verhoogd risico op verzwegen samenwonen, en dus mogelijke fraude.

Het systeem is minder grof dan in dit simpele voorbeeld, omdat veel meer dan twee bestanden aan elkaar kunnen worden gekoppeld. Verzamelt een persoon met al deze koppelingen genoeg van dit soort hogere risico’s, dan doet het systeem een risicomelding. En kan een instantie een fraudeonderzoek naar hem beginnen. Het idee achter deze ‘datamining’ is dat de overheid haar beperkte opsporingscapaciteit beter kan inzetten.

2 Is het nieuw?

Ja en nee. Het computersysteem waarmee al deze databanken met elkaar is al sinds 2008 in gebruik. Toen heette het Black Box.

3 Is de privacy gewaarborgd?

Ja, vindt het ministerie. De gegevens worden geanonimiseerd verwerkt. Pas als uit die verwerking risicomeldingen komen, worden die met een geheime sleutel weer terug herleid naar individuen. Ambtenaren kunnen dus niet zelf zomaar wat in bestanden grasduinen. Risicomeldingen moeten na twee jaar worden vernietigd.

Die bestanden mogen niet lukraak aan elkaar worden gekoppeld in de hoop op het vinden van potentiële fraude. Overheden die willen koppelen, moeten uitleggen hoe ze daarmee fraudeurs denken te vinden

Maar wie controleert of die motivering deugt? Hetzelfde bestuursorgaan dat de motivering opstelt. Daarna de Landelijke Stuurgroep Interventieteams, waarin vertegenwoordigers zitten van dezelfde bestuursorganen. En als laatste de minister, die voorzitter is van die landelijke stuurgroep. Kortom, hier komt het vooral aan op het zelfkritische vermogen van een overheid die zichzelf niet wantrouwt.

4 Waren er bezwaren tegen het wetsvoorstel?

Niet in de politiek. Het werd unaniem, door Eerste en Tweede Kamer aangenomen.

Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) en de Raad van State waren zeer kritisch over deze wet. Deze adviseurs vinden dat de overheid zichzelf te weinig beperkingen oplegt bij het verzamelen en koppelen van gevoelige persoonlijke informatie. Het ministerie heeft een deel van de aanbevelingen van de adviesorganen overgenomen.

Maar belangrijke bezwaren zijn terzijde geschoven. Zo vond de Raad dat de omschrijving van te gebruiken gegevens veel te ruim. Het antwoord van het ministerie: wij willen ons niet beperken, want dan kunnen we in de toekomst misschien niet alle onderzoeken uitvoeren die we zouden willen. De opsporingsinstanties bepalen daarom zelf of hun informatieverzoeken proportioneel zijn. Het is maar de vraag of het College dat bedoelde, toen het adviseerde om „objectiveerbare criteria” te hanteren bij het kiezen van bestandskoppelingen.