De taal van de kunstenaar

Iedereen houdt van de kunstenaar. De entourage van de mecenas op het toneel, het publiek in de zaal. Tasso, de kunstenaar in het gelijknamige stuk van Goethe waarmee het Nationale Toneel deze maand nog rondtoert, lijkt aan het begin o zo innemend. Maar de blinde bewondering slaat om in irritatie als de kunstenaar zich te drammerig wil koesteren in zijn schitterende isolement om in absolute vrijheid te maken wat hij wil. Dat is nu net ook weer niet wat de samenleving van hem verwacht. Actueler kan het niet.

Zie de discussies die sinds de zomer op de pagina’s van dit Cultureel Supplement worden gevoerd, nadat wij opinieartikelen hadden geplaatst van Melle Daamen en Hans den Hartog Jager. Op beide opinieartikelen blijven boeiende reacties binnenkomen, die we de komende weken nog zullen publiceren. Op het stuk van Daamen, die in het cultuurbeleid minder nadruk op vernieuwing voorstaat, komen die reacties vooral van beleidsmakers, adviseurs en docenten en weinig van kunstenaars. Op het stuk van Den Hartog Jager, dat het kunstenaarsengagement vooral een rituele dans noemt, reageren juist vooral kunstenaars en curatoren. Het zijn twee zijden van eenzelfde discussie – wat verwachten we eigenlijk van kunstenaars en wat mogen zij van de samenleving verwachten? – maar het lijkt alsof die twee werelden maar moeizaam tot elkaar komen.

Dat is niet anders dan in de discussies die de kunstenaar, zijn mecenas en de politicus in Tasso voeren. Het is pijnlijk dat de verzen van Goethe uit de 18de eeuw nu nog zo actueel zijn. Op het Paradisodebat eind augustus spraken politici en kunstenaars af over een half jaar opnieuw met elkaar in debat te gaan met de kunstenaars in de rol van politici en de politici op de stoel van de kunstenaars. Misschien moeten ze met elkaar het stuk Tasso naspelen als goede oefening vooraf.