Zelfs de Amerikanen hebben meer bedenkingen

Nederland gaat meedoen aan de militaire strijd tegen IS, met een ongekend groot elan. Een overgrote meerderheid van de Tweede Kamer stemt morgen vóór militair optreden in Irak. Maar gaat de Kamer niet voorbij aan belangrijke tegenargumenten?

Foto AFP

Bijna vijftig landen doen mee met Amerika aan de internationale strijd tegen de Islamitische Staat (IS), maar in slechts weinig landen bestaat daarover zoveel eensgezindheid als in Nederland. De Tweede Kamer zal morgenavond in overgrote meerderheid instemmen met het besluit van het kabinet actief deel te nemen aan de oorlog. Niet eerder was de parlementaire steun voor een grote militaire operatie zo groot. Alleen de Socialistische Partij (15 zetels) en de Partij voor de Dieren (2 zetels) zullen zich, zoals het er nu naar uitziet, uitspreken tegen de Nederlandse bijdrage aan door de Amerikanen geleide actie boven Irak. Zelfs in het Amerikaanse Congres bestaat meer weerstand, procentueel gezien, tegen nieuwe avonturen in het Midden-Oosten dan in de Nederlandse volksvertegenwoordiging. Hoe kan dat?

Begin augustus was het alleen nog de drie Kamerleden tellende fractie van de SGP die pleitte voor Nederlandse F16’s die tegen IS moesten worden ingezet. Ook GroenLinks – traditioneel gereserveerd zodra het militair optreden betreft – kent nu geen twijfel. „De internationale gemeenschap heeft de plicht burgers te beschermen en moet daarom al het mogelijke doen om de opmars van IS en de ongekende wreedheid waarmee deze gepaard gaat, te stoppen”, zegt de partij.

Veel moeite heeft het kabinet dan ook niet hoeven doen om steun voor de militaire actie te verwerven. Sterker, het brute optreden van de strijders van IS heeft onder de Kamerleden dermate veel afschuw gewekt dat zij zelf drie weken geleden via een motie het kabinet bij voorbaat „voluit” steunden in het voornemen deel te nemen aan een coalitie tegen IS. IS moet zoals de VVD – de grootste regeringspartij – het strijdbaar stelt „worden vernietigd”.

Wat doet zoveel eensgezindheid met het politieke debat over zo’n toch niet alledaagse missie? Intussen is het een week geleden dat het kabinet in een zogeheten ‘artikel-100-brief’ aan de Tweede Kamer liet weten waaruit de Nederlandse inzet zou bestaan. Zes F16-gevechtsvliegtuigen zullen worden ingezet om IS vanuit de lucht boven Irak te bestrijden. Tegelijkertijd levert Nederland 130 trainers om Iraakse en Koerdische strijdkrachten in staat te stellen IS op de grond te bevechten. In de brief is ruim aandacht voor het nationaal belang dat met de militaire acties is gemoeid. „De dreiging die uitgaat van jihadisten in Syrië en Irak raakt ook onze nationale veiligheid”, schrijft het kabinet. „Om deze dreiging het hoofd te bieden moet de slagkracht van ISIS worden gebroken en de ideologische aantrekkingskracht worden aangetast.”

Formeel hoeft de Kamer niet in te stemmen met militaire missies in het buitenland. Maar het is gewoonte dit soort kwesties van leven en dood aan het parlement voor te leggen. Zonder een Kamermeerderheid worden geen militairen uitgestuurd.

Sinds vorige week ging het publieke debat vooral over de vraag of er reden is voor mensen op straat om bang te zijn. Maar in de Tweede Kamer wordt tot nu toe minder dan in andere westerse parlementen gesproken over de strategische risico’s en andere mogelijke nadelige consequenties van deze oorlog. De belangrijkste tegenwerpingen op een rij:

Niet te winnen oorlog

„Het risico opnieuw het moeras dat Irak heet in gesleurd te worden is levensgroot, terwijl de politieke wil om lang te blijven afwezig is”, schreef beleidsmedewerker Stephan de Vries van de aan de VVD gelieerde Teldersstichting eind augustus op de opiniepagina van deze krant. Hij is sindsdien niet van mening veranderd. Een door het Westen geleide militaire actie is „gewoon niet zinnig”, zegt De Vries. Daarbij verwijst hij naar de slechte ervaringen met buitenlandse interventies in Irak en Afghanistan. „Ik begrijp niet waarom we weer in zo’n draaikolk terecht willen komen.”

Het westerse optreden in Irak en Syrië heeft gevolgen voor de machtsbalans in de regio, tussen de shi’itische regiomacht Iran en zijn soennitische rivaal Saoedi-Arabië , de Koerden, de Turken, de positie van president Assad in Syrië. Die gevolgen maken nauwelijks deel uit van het politieke debat.

Militair deskundige generaal-majoor Fred van Kappen, Eerste Kamerlid (VVD), waarschuwt voor te hooggespannen verwachtingen. „Het is een politiek-religieus conflict. Dat los je niet op met militaire middelen. Dit is geen oorlog in de klassieke zin. Je kan niet winnen, maar wel de dreiging terugdringen. Vergelijk het met de strijd tegen criminaliteit. Het verschijnsel ban je niet uit, maar je kan het wel verminderen.”

Daar komt volgens Van Kappen bij dat bombarderen onvoldoende zal zijn om IS aan te pakken. „Een F16 is niet gebouwd om twee terroristen op een brommertje weg te schieten. Er komt een moment dat je er niet aan ontkomt grondtroepen te sturen. En daar zitten we niet op te wachten, want dan krijg je lijkzakken terug.”

Einddoel onduidelijk

In zijn artikel-100-brief schrijft het kabinet dat „effectieve bestrijding” van IS op lange termijn „vergaande bestuurlijke en sociaal-economische hervormingen vereist”. Hiervoor is vooral de Iraakse regering verantwoordelijk. Ook de „invloedrijke buurlanden” van Irak hebben een rol. „Zij moeten het sektarische conflict dempen en de financiële, materiële en personele toevoerlijnen naar ISIS afsnijden”, aldus het kabinet.

Maar volgens Stephan de Vries van de Teldersstichting zijn juist deze landen, de „aanstichters van het geweld” die weinig druk voelen om mee te werken aan een duurzame oplossing voor Irak. „Zelf profiteren van de situatie is veel belangrijker.”

Over het einddoel is „de discussie niet helder”, zegt Van Kappen. „Neem alleen al de tijd die dit gaat duren. Je zal rekening moeten houden met minstens tien jaar.”

Waar houden acties op?

CDA-leider Sybrand Buma beschuldigde het kabinet vorige week in Trouw van een „dubbelhartige opstelling”. Buma: „We zijn wel blij dat de Amerikanen Syrië bombarderen, maar hangen tegelijkertijd de moraalridder uit door zelf niet mee te doen.”

Het wel in actie komen boven Irak maar niet in Syrie heeft alles te maken met het volkenrechtelijk mandaat dat voor Irak wel bestaat, maar voor Syrië niet. De bombardementen op IS-strijders en hun wapens in Irak worden uitgevoerd op verzoek van de Iraakse regering. Zodoende zijn die acties juridisch afgedekt.

Zo’n verzoek ligt er niet uit Syrië. „Er is momenteel geen internationale overeenstemming over de vraag of er sprake is van een volkenrechtelijk mandaat voor militaire inzet in Syrie”, schrijft het kabinet, dat overigens „begrip” heeft voor de Amerikanen die wel boven Syrië in actie komen.

Volgens oud NAVO-secretaris-generaal Jaap de Hoop Scheffer heeft het kabinet zich in „een lastige positie” gemanoeuvreerd door wel begrip maar geen politieke steun voor de Amerikanen uit te spreken. „Dit is internationaal vrij lastig uit te leggen”, zegt de nu aan de Campus Den Haag van Universiteit Leiden verbonden De Hoop Scheffer. Zelf beschouwt hij het onderscheid tussen Irak en Syrië als „een kunstmatige constructie”. „Voor IS bestaat er in elk geval geen grens tussen beide landen, want het kalifaat kent geen landsgrenzen. En wat gebeurt er in het niet-theoretische geval dat een Nederlands vliegtuig boven Irak wordt aangevallen vanuit Syrië? Ik spreek nu even met de ervaring uit mijn NAVO-tijd maar voor operationele commandanten is het uiterst gecompliceerd als een deel van de toestellen wel en een deel niet boven Syrië vliegt.”