Ondernemen is óók topsport

Waarom is er eigenlijk geen speciaal beleid voor talentvolle student-ondernemers, net als bij topsporters? Wie een eigen bedrijf begint, maakt de studie vaak niet af.

Illustratie Aart-Jan Venema

De carrière van Lodewijk Fluttert (22) begon achter de computer. Uit verveling knutselde hij op zijn studentenkamer in Utrecht nummers in elkaar. Nadat hij zijn muziek in 2012 op YouTube zette, ging het hard. Inmiddels is hij producer en reist hij als dj Bakermat de wereld over. Zijn studie algemene sociale wetenschappen aan de Universiteit Utrecht moest wijken voor het succes. „Ik had al vrij snel door dat ik het niet kon combineren”, zegt Fluttert. „Het is heel intensief, ik ben vier dagen per week in het buitenland. Daardoor kon ik niet voldoen aan de aanwezigheidsplicht.”

Uitstel krijgen voor een tentamen, financiële steun, af en toe een vervangende opdracht – als het aan Bernard Wientjes ligt, kunnen jonge, talentvolle ondernemers zoals Fluttert straks aanspraak maken op dezelfde regelingen als topsporters. Wientjes, oud-voorzitter van werkgeversbond VNO-NCW en per september aangesteld als hoogleraar ondernemerschap aan de Universiteit Utrecht, sneed dit onderwerp onlangs aan in een artikel. ‘Algemene universiteiten hebben geen traditie van ondernemerschap, zoals bijvoorbeeld de Erasmus Universiteit en de technische universiteiten die wel hebben’, stelde Wientjes in het opinieblad van VNO-NCW. ‘Dat moet veranderen.’

40.000 student-ondernemers

Eerder deze maand bleek uit een onderzoek dat steeds meer Nederlandse studenten naast hun studie een eigen bedrijfje runnen. De afgelopen twee jaar verdubbelde het aantal studerende ondernemers van 3 naar 6 procent: dat zijn zo’n 40.000 student-ondernemers. Dat lijkt misschien een flinke toename, maar Nederland ligt onder het wereldwijde gemiddelde van 8 procent. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat het aantal studenten met de intentie om direct na de studie een bedrijf te beginnen is gedaald: in 2012 was dit nog zo’n 10 procent, nu slechts 6.

Ondertussen staat ondernemerschap in het onderwijs al jaren op de politieke agenda. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap investeerde tussen 2007 en 2013 in totaal 56 miljoen euro in een actieprogramma. Hiermee werden onder meer Centres of Entrepreneurship opgericht waarin samenwerkingsverbanden tussen instellingen in het hoger onderwijs en het bedrijfsleven konden plaatsvinden.

Dat er ruimte is voor verbetering, blijkt niet alleen uit de tegenvallende cijfers. Vorig jaar publiceerden hoogleraar Strategic Management & Entrepreneurship Wim Hulsink en student Daan Koek van de Erasmus Universiteit de resultaten van een onderzoek waarin twaalf ondernemers onder de 25 jaar werden geïnterviewd over hun keuze om een eigen bedrijf te beginnen. Vrijwel geen van de geïnterviewden zei vanuit hun studie te zijn aangemoedigd om ondernemer te worden. Ook maakten de meeste ondernemers hun opleiding niet af.

Onderwijs voor de massa

„Ons onderwijssysteem is op de massa toegesneden, niet op individueel talent”, zegt Hulsink. „Pas als we strenger zouden selecteren en zorgen voor kleinere faculteiten en klassen kunnen we een verandering teweegbrengen.” Dit geldt in grotere mate voor ‘algemene’ universiteiten, waar onderwijs over ondernemerschap alleen op bijvakniveau wordt aan geboden. „Buiten het curriculum om dus.” De reden: veel universiteiten willen niet dat het ten koste gaat van andere, belangrijke vakken.

Hoewel sommige universiteiten inmiddels een goed beleid hebben – Hulsink noemt Universiteit Twente, waar jaarlijks een aantal ‘tijdelijke ondernemersplaatsen’ beschikbaar worden gesteld voor start-ups – is het volgens hem onwaarschijnlijk dat ondernemende studenten straks net als topsporters een beroep kunnen doen op speciale regelingen. „Een docent zal denken: dan moet ik zeker speciaal voor die ene student een apart examen maken. Dat gaat zo iemand niet doen.”

Herkenbaar, vindt Lodewijk Fluttert. „Ik heb vaak genoeg met een studieadviseur en -coördinator om tafel gezeten. Ik denk dat ik de vakken makkelijk in mijn hotelkamer zou kunnen doen. Maar ze zeggen: voor jou maken we geen uitzondering. Er zit totaal geen flexibiliteit in de regelgeving, heel frustrerend.” Zijn studie wil hij desondanks graag afmaken. „Officieel studeer ik nog steeds, ik sta nog altijd ingeschreven. Ik hoop een keer een half jaar vrij te kunnen nemen van mijn werk om die laatste drie vakken en een scriptie te kunnen doen.”