Column

Overspelige politicus

Afgelopen weekend moest de Britse staatssecretaris Brooks Newmark aftreden. Hij, een getrouwd man, had seksueel getinte foto’s gestuurd naar een verslaggever van de Sunday Mirror, die zich voorgedaan had als vrouw.

Ik moest meteen denken aan Gary Hart, de nu 77-jarige Amerikaanse ex-senator, die in 1987 ook door de pers op een meedogenloze manier ten val werd gebracht. Over hem had ik net een opmerkelijk verhaal in The New York Times gelezen onder de kop: ‘Hoe de val van Gary Hart de Amerikaanse politiek voor altijd veranderde’. Het was de voorpublicatie van een boek van de journalist Matt Bai: The Week Politics Went Tabloid.

Hart leek in 1987 de belangrijkste kandidaat voor het presidentschap. Hij leidde in de Democratische Partij en had in de polls ook een voorsprong op de Republikeinse kandidaat, George Bush senior. Hij gold als een moderne, intelligente politicus, type John Kennedy. Wat ging er precies mis? Bai zocht het uit.

Een onthulling in The Miami Herald luidde het einde in van Harts carrière. De krant kreeg een tip dat de (getrouwde) Hart op een jacht gesignaleerd was met een blonde schoonheid, die later de 29-jarige Donna Rice, actrice in commercials, bleek te zijn. Vriendinnen van haar zaten achter de tip. „Sorry dat ik zijn leven heb geruïneerd”, zegt de tipgeefster nu, „ik was jong, ik wist niet dat het zo zou uitpakken.”

Bai is er vooral op gespitst de bedenkelijke rol van The Miami Herald te belichten. De redactie zette een heel team op Hart, postte voor zijn huis en volgde hem alsof hij een crimineel was. Niemand vroeg zich af of het privéleven van een politicus zo genadeloos onderzocht mocht worden.

Het eindigde met een confrontatie tussen Hart en de journalisten bij het huis waar hij met Donna Rice had gelogeerd. De hamvraag was: heeft u seks gehad met die vrouw? Het antwoord is nee, zei Hart. Acht jaar later zou president Clinton op een dergelijke vraag een vrijwel identiek antwoord geven.

Later verscholen de redacteuren van The Herald zich achter het feit dat Hart in die periode tegen een andere journalist had gezegd: „Volg me maar. Het kan me niet schelen. Ik meen het. Als iemand mij wil schaduwen, ga je gang. Ze zullen zich erg vervelen.” De journalist had geruchten over buitenechtelijke affaires ter sprake gebracht.

Bai toont aan dat de reporters van The Herald nog niet op de hoogte waren van deze uitspraak toen zij de jacht op Hart openden. De tip van Rice’s vriendin was voor hen voldoende geweest. Waarom, vraagt Bai zich af, konden overspelige presidenten als Franklin Roosevelt, John Kennedy en Lyndon Johnson daarvóór moeiteloos de dans ontspringen en moest Hart geslachtofferd worden?

Zijn analyse klinkt aannemelijk: de sociale mores waren veranderd - het sterk opkomende feminisme veroordeelde overspel - en politieke autoriteiten werden sinds de val van Nixon door de pers niet meer gerespecteerd, maar in beginsel gewantrouwd.

Bai sluit af met een ontmoeting met Hart en zijn vrouw Lee, met wie hij nu een halve eeuw getrouwd is. „Gary voelt zich schuldig”, zegt Lee, „omdat hij het gevoel heeft dat hij een erg goede president zou zijn geweest.” Hart zet uiteen dat hij met een zege op Bush senior ook voorkomen zou hebben dat Bush junior president was geworden, wat heel wat Amerikaanse doden in Irak had gescheeld. Alsof hij wil zeggen: beter een overspelige president dan een slechte.