Vier de onbeduidendheid!

Milan Kundera laat zien hoe je kunt leven: lachen zonder te weten waarom.

Halverwege Het feest der onbeduidendheid, Milan Kundera’s nieuwe roman, lees je ineens een alinea die je al eerder hebt gelezen: een paar zinnen over Alain die gefascineerd is door de ontblote navel van jonge meisjes. ‘Herhaal ik mezelf?’ schrijft de verteller. ‘Ik weet het. Maar Alains passie voor het raadsel van de navel mag dan al eerder ter sprake zijn gekomen, ik wil niet verhullen dat dat raadsel hem voortdurend bezig houdt, zoals uzelf ook maanden, zo niet jaren door dezelfde problemen wordt beziggehouden (ongetwijfeld veel nietiger dan dat van Alain).’

De fascinatie voor de navel is maar een van de nietige problemen waar de vier hoofdpersonen van Kundera (1929) in dit boek mee worstelen.

Het is onbeduidendheid alom, navelstaarderij in zijn lichtste vorm. Zijn eerste hoofdstukje geeft Kundera de titel mee ‘De helden stellen zich voor’. Helden? Aan zijn vier personages geeft Kundera zo weinig gewicht dat je ze als lezer nauwelijks uit elkaar kunt houden.

In de Jardin du Luxembourg, waar Kundera’s hoofdpersonen graag wandelen, schenkt niemand enige aandacht aan de standbeelden van koninginnen van Frankrijk, dichters, schilders. Passanten lopen langs zonder de bijschriften over hun leven te lezen. De onverschilligheid brengt ‘troostende rust’ en ‘een blije glimlach’. Niemand die zich opwindt, écht opwindt, in dit nieuwe boek van Kundera. Het is, zoals vaker in zijn oeuvre, een ode aan de ironie in zijn zuiverste vorm. ‘De doden worden oude doden, ze worden door niemand meer herinnerd en verdwijnen in het niets.’ Such is life.

Schijn bedriegt

Het feest der onbeduidendheid is in helder en eenvoudig taalgebruik geschreven (en vertaald), net als Kundera’s eerdere werk. Maar schijn bedriegt, niets is ondubbelzinnig: de Tsjechisch-Franse auteur wisselt van register, switcht van droom naar werkelijkheid, verandert van het perspectief van verteller naar hoofdpersoon en springt van de ene tijd naar de andere.

De ogenschijnlijk associatieve verhaallijn is niet écht losjes en de manier waarop Kundera zijn thema’s terug laat komen is ijzersterk en doordacht.

Een rode draad in het boek is bijvoorbeeld een anekdote over Stalin, die op een dag besluit te gaan jagen. Hij trekt ‘een oude parka’ aan, ‘gespt zijn ski’s onder’ en neemt een lang geweer. In een boom ziet hij patrijzen zitten, vierentwintig stuks. Hij heeft maar twaalf patronen bij zich. Hij doodt er twaalf, gaat naar huis om twaalf nieuwe patronen te halen, komt terug bij de boom en doodt ze ten slotte allemaal.

Het is maar één van de absurde anekdotes en fantasieën die je in dit boek leest.

Zo goochelt Kundera in dit boek met krankzinnige verhalen en schiet hij van hilarisch absurdisme naar Hegel, Schopenhauer en Kant. Maar onderhands vertelt hij zijn lezers hoe je het beste in het leven kunt staan. ‘We hebben lang geleden begrepen dat de wereld niet meer omver kon worden geworpen of omgevormd. Er was maar één vorm van verzet mogelijk: de wereld niet serieus nemen.’ En dat is precies wat zijn personages doen.

Een fictieve taal verzinnen, zodat iedere vorm van communicatie uitloopt op een hilarisch fiasco. Sorry zeggen omdat daar geen enkele reden voor is. Aan iemand vertellen dat je kanker hebt, terwijl je net van je arts hebt gehoord dat dat juist niet het geval is.

Totalitarisme

Zo speelt Kundera ook in deze roman met zijn oude thema’s van geheugen en herinnering, totalitarisme, grap en lichtheid. ‘Onnut en ijdel is neuswijze kakeling’, staat er geschreven op een van de oude muren van de onderdoorgang van het Rijksmuseum.

Het is precies die sfeer die je in deze roman terugvindt: een spel met nut en nutteloosheid, waarbij de mens een marionet is, een ledenpop, een neuswijze kakeling om wie je beter maar kan lachen. Het wezenlijke wordt, zoals in alle grote literatuur, in deze roman tussen de regels door geformuleerd.

Op weergaloze wijze roept Kundera ons in dit boek op ‘het feest der onbeduidendheid’ te vieren. ‘We moeten de onbeduidendheid niet alleen herkennen, we moeten van haar houden, van haar leren houden [...] de kinderen die lachen… zonder te weten waarom, is dat niet mooi?’