Van Aleppo naar Zwolle: tien dagen in een donkere vrachtwagen

Besher (23) voelt zich in de IJsselhallen voor het eerst in jaren „als mens behandeld”.

Ze komen monter aangelopen over de lege parkeerplaats naast de IJsselhallen. Besher (23) uit Damascus en Abdullah (25) uit Aleppo waren even gaan kijken of er in Zwolle ook zo’n machine is waar geld uitkomt. „Is het een vrije dag of zo”, vraagt Abdullah terwijl hij een sigaretje opsteekt. Een zonnige zondag in Zwolle. Je merkt alleen dat het niet zomaar twee jonge jongens zijn als ze vragen: „Kunnen we hier met jou praten? Komen we dan niet in de problemen?”

Sinds vrijdag zijn honderden vluchtelingen neergestreken in de evenementenhal die razendsnel is omgebouwd tot een provisorische opvang voor Syriërs.Stapelbedden, douches. Vierhonderd mannen kunnen hier blijven tot Kerstmis. Vrouwen en kinderen worden nu nog elders opgevangen, zodat in Zwolle geen aparte toilet- en doucheblokken nodig waren.

Een enkele asielzoeker heeft zich al beklaagd over de omstandigheden, zegt Sam Louis, een christelijke Syriër, die sinds vijftien jaar in Nederland woont en meteen zijn diensten heeft aangeboden aan opvangorganisatie COA. „Die man vroeg waarom hij niet in een gewoon asielzoekerscentrum mocht, in zo’n dikke villa.” Zaterdag zijn bij de opvang al een stel daklozen weggejaagd die dachten: hee, gratis eten en drinken.

Besher, afgestudeerd in de farmacie, en Abdullah uit Aleppo, op één wiskunde-examen na klaar met bouwkunde, zul je niet horen klagen. „Ongelooflijk hoe we hier worden geholpen. Dat we alles voor niets krijgen. Voedsel, onderdak, tandenborstel. Alleen sigaretten moeten we zelf betalen”, zegt Abdullah. „Good afternoon”, roepen ze in koor naar een langsfietsend Zwols gezinnetje. „Good afternoon”, antwoorden die. „Hier zijn we voor het eerst in jaren weer als mensen behandeld”, zegt Besher.

Ze kennen elkaar sinds ze zaterdag in de IJsselhallen aankwamen. Anderhalve maand geleden woonden ze nog in Syrië. Besher relatief veilig in Damascus – tot hij afstudeerde en het leger in zou moeten. „Of je doodt, of je wordt gedood”, zegt hij. „Ik had in allebei geen zin.” Abdullah woonde in Aleppo, de stad die inmiddels een labyrint van frontlinies is.

Abdullah tekent in de lucht een plattegrond. Straat 1 is van het leger van president Assad. Straat 2 is van het Vrije Syrische Leger. Straat 3 is van Da’esh – zo noemen de Syriërs het vreemdelingenlegioen van de Islamitische Staat (IS). Straat 4 is van de islamitische strijders van Jabat al-Nusra. „Het is onmogelijk je normaal door de stad te bewegen”, zegt Abdullah. „Bij elk roadblock moet je je weer anders gedragen, er anders uitzien.” Ze wijzen naar elkaar. Besher met zijn grijze shorts en sneakers: haram, onrein. Abdullah op zijn espadrilles en met zijn armbandjes. „Die rukken ze meteen af bij Da’esh. Of ze vragen je hoe vaak een moslim per dag naar de moskee moet. Vier keer? Fout!” Abdullah maakt een snijgebaar over zijn keel.

Het is een grap, maar een slechte grap, zegt Besher. „Eerst hadden we één dictator, Assad. Nou hebben we er een heleboel.” De Syriërs proberen er omheen te leven, zeggen ze. Ze passen zich aan, hopen dat ze eten kunnen kopen, dat de elektriciteit niet uitvalt. De mensen leven in een „freeze modus”, zal Moshi uit Damascus later zeggen. „Een soort slaapstand, waarbij je niet meer wordt geraakt door weer een gedood neefje, een gevangen vriend of een ontvoerde vader.”

Zijn ze dan opgelucht over de aanvallen die de internationale coalitie op IS heeft gelanceerd? Nee, zeggen ze meteen. IS is niet gemakkelijk te bevechten of te doden. „Die mensen zijn bereid te sterven om te doden”, zegt Besher. En hoe zouden ze opgelucht kunnen zijn zolang hun familie nog in Syrië is?

Besher ging 45 dagen geleden op de vlucht. Hij laat de precieze route in het midden. „Er gaan vele wegen Syrië uit”, zegt hij. De oversteek van Turkije naar Griekenland was het ellendigst. Ze zaten in een razendsnelle boot, een soort grote jetski, heel instabiel. Iedereen moest doodstil blijven zitten om te voorkomen dat ‘ie zou omslaan. Op een zeker moment raakte de boot een rots. Iedereen in paniek. Toen trokken de smokkelaars – Syriërs, Turken en Palestijnen – hun pistolen en zetten die mensen op hun slaap. En nou zitten!

Abdullah is een maand onderweg geweest. Tien dagen daarvan achterin een truck. Van de smokkelaars kreeg hij een fles water en een handjevol Imodium-pillen om te voorkomen dat hij moest poepen en daarna heeft hij geprobeerd tien dagen te slapen. „Ik zat in een zwarte doos en toen die doos openging, was ik in Nederland.”

Eerst zijn ze ondervraagd in het aanmeldcentrum voor asielzoekers in Ter Apel. „Ter Apel is beroemd”, lacht Abdullah. „Iedereen in Syrië kent Ter Apel.” Daar hebben ambtenaren aan de hand van hun papieren en hun accent vastgesteld dat ze inderdaad uit Syrië komen. Zaterdag kwamen ze in Zwolle aan.

Good afternoon.” Een Zwollenaar fietst langs in korte broek en met een tas vol tennisrackets op zijn rug. „Zo zou je in Syrië echt niet ver komen”, zegt Abdullah terwijl hij hem nakijkt. Mag je dan niet tennissen van de strenge moslims? „Iedereen zou denken dat er wapens in die tas zaten.”