Column

Mespuntje oranje

Het devies voor een wielrenner tijdens het WK op de weg is altijd: wacht met aanvallen tot de laatste ronde. De Nederlandse ploeg hield zich aan die ongeschreven regel. Vanuit de lucht nam ik soms een mespuntje oranje waar in het peloton, maar verder verstopten ‘onze jongens’ zich goed.

Het koersverloop en het parcours was saai. Toch bleef de televisie aan. Tijdens het wachten op de laatste ronde was er tijd voor koffie, sms’en, nog een koffie en een telefoontje met een vriend. In de lucht trok een sportvliegtuigje een witte streep.

Op You Tube vond ik beelden van de laatste Nederlandse wereldkampioen bij de mannen. Daar reed Joop Zoetemelk, de nek weggestoken tussen de opgetrokken schouders. Tijdens het WK in Italië in 1985 was hij een oude wielrenner van 38 jaar en negen maanden.

Zoetemelk wist toen ook al: ik moet wachten.

Twee kilometer voor de finish reed hij een paar meter voor de kopgroep uit. Joop nam een buitenbocht als een zingende vrouw op een omafiets. Het leek geen wielrennen, eerder onbezorgd zwieren. De kopgroep nam hem even niet serieus. Joop won het WK.

Ik deed de laptop dicht en duwde mijn neus tegen het scherm. In Ponferrada begon een grote kopgroep aan de laatste ronde. De wedstrijd sprong open als een bloem. En verdomd, er zaten twee stipjes oranje in het palet.

Op vijf kilometer van het einde viel uit het niets de naam Kwiatkowski. De Poolse renner was ontsnapt uit het peloton en fietste naar een vermoeide kopgroep toe. Na de laatste klim kwam een afdaling. Zijn afdaling, had hij bedacht. Hij reed alleen op kop.

Michal Kwiatkowski stortte met een topsnelheid van 81,7 km/per uur naar beneden. Net als bij Joop zag ik de koploper zwieren. Hij ging zelfs met zijn kont op het frame zitten.

Was er op de stang nog een plekje vrij?

De Pool had geen angst om te vallen. Twijfel was uitgebannen. Je zag aan zijn houding de wil om ten koste van alles wereldkampioen te worden.

Joop zei destijds over zijn laatste kilometers: „Ik deed de hendel naar beneden – op de 12 – en ik ben naar de meet gereden. Je denkt: hoe is dit nou mogelijk? Je gelooft het gewoon niet.”

Kwiatkowski had meer overtuiging. Vlak voor de finish ging hij rechtop zitten, trok het nationale wielershirt naar zijn mond en kuste de klapwiekende vleugels van de adelaar in het embleem.

Het was zo’n dag dat je voor Polen bent.

Een wegwedstrijd om de regenboogtrui kost je een hele dag. Het fietsen is urenlang voorspelbaar en duf. Maar na die intrigerende, laatste ronde besef je: het is het wachten meer dan waard.