Jörg Widmann beukt er drie kwartier genadeloos op los

Je ziet het weinig: een componist met een gelijkwaardige carrière als musicus. Nog zeldzamer is het als iemand tot de besten behoort op zijn instrument én zijn composities in de voornaamste concertzalen worden uitgevoerd. Jörg Widmann (1973) is zo’n dubbeltalent. Vorige week was hij hier nog te horen als klarinettist in nieuw werk van zijn leermeester Wolfgang Rihm, zaterdag beleefde zijn orkeststuk Drittes Labyrinth zijn Nederlandse première in het Concertgebouw.

Het Radio Filharmonisch was erg groot bezet – twee piano’s, een cimbalom en banjo versterkten het orkest. Ook de podiumvloer, waarop met een hamer werd geslagen, maakte deel uit van het instrumentarium. Toch benutte Widmann maar een fractie van dit enorme potentieel aan timbres, omdat hij steeds de extremen opzocht: hij liet de instrumenten genadeloos hard en kil klinken, op het masochistische af. Drie kwartier denderde het stuk voort in diezelfde modus, waardoor je je als luisteraar voelde als een bokser die in elkaar wordt gebeukt terwijl hij weerloos in het ringtouw hangt.

Tegenover het duister van Widmann stond Niccolò Castiglioni’s Altisonanza. Wat een ontdekking is deze alternatieve ‘Alpensymfonie’, een klankkleurverkenning van de Dolomieten waar Castiglioni (1932-1996) woonde. Het zit vol ijle tonen en vogelgeluiden. Het orkest bracht het bezield onder Emilio Pomàrico. Maar het allermooiste was het slot van Bruno Maderna’s Aura. De fluitsolo van Ingrid Geerlings was fenomenaal.