Column

Huil niet

Zaterdag was ik bij een begrafenisdienst voor een 80-jarige vriend, die volkomen onverwachts was gestorven. Hij ging zitten, werd onwel en zakte weg zonder nog iets te kunnen zeggen. Een hart dat nooit geprotesteerd had, liet het opeens harteloos afweten. De dood had besloten de nabestaande wreder te treffen dan zijn prooi.

De behoefte om te troosten lijkt bij zo’n sterfgeval nog groter dan anders. Je kon het merken aan de toespraken, die soms direct tot de weduwe waren gericht. Een familielid las een gedicht voor dat ze aan Augustinus, theoloog, filosoof en kerkvader, toeschreef. (Ze had ‘wenen’ vervangen door ‘huilen’ – een verbetering wat mij betreft.)

Huil niet./ De dood is niets./ Ik ben slechts naar de andere kant./ Ik ben mezelf, jij bent jezelf./ Wat we voor elkaar waren, zijn we nog altijd./ Noem me zoals je me steeds genoemd hebt./ Spreek tegen me zoals weleer,/ op dezelfde toon, niet plechtig, niet triest./ Lach om wat ons samen heeft doen lachen./ Denk aan mij, bid met mij./ Spreek mijn naam uit thuis,/ zoals je altijd gedaan hebt/ zonder hem te benadrukken, zonder een zweem van droefheid./ Het leven is wat het altijd is geweest./ De draad is niet gebroken./ Waarom zou ik uit je gedachten zijn?/ Omdat je me niet meer ziet?/ Nee, ik ben niet ver, juist aan de andere kant van de weg./ Zie je, alles is goed./ Je zult mijn hart opnieuw ontdekken en er de tederheid terugvinden./ Dus, droog je tranen en huil niet, als je van me houdt.

Van wie is die tekst? Niet van Augustinus, zo zegt het Augustijns Instituut in Eindhoven op zijn website, maar van Cécile Collet die zich liet inspireren door een troostbrief van Augustinus aan Sapida, een religieuze wier broer overleden was. Cécile Collet was de meter van Mélissa, een van de slachtoffers van Dutroux; zij las haar prozagedicht in augustus 1996 voor tijdens de uitvaart van Mélissa en Julie, een ander slachtoffer. Sindsdien wordt de tekst vaker bij uitvaarten gebruikt.

Ik vond het een indrukwekkende tekst, zeker tegen de achtergrond van zo’n begrafenisdienst, die wel in een kerkje plaatsvond maar verder geen religieus karakter had. Toch vroeg ik me af: het was troostend bedoeld, maar zou het voor mij ook dat effect hebben gehad als ik zelf nabestaande was geweest?

„Nee, ik ben niet ver, juist aan de andere kant van de weg.” Dat klinkt mooi, maar hoe die andere kant te bereiken?

Daarvoor zul je in de God van Augustinus moeten geloven. Augustinus laat daar geen misverstand over bestaan in zijn brief aan Sapida. „De smart van de sterfelijke mensen over hun geliefde doden mag hun weliswaar niet kwalijk genomen worden”, schrijft hij vermanend, „maar overdreven lange rouw zou bij gelovige mensen niet op zijn plaats zijn. Al ben je nu bedroefd, laat het genoeg zijn. Blijf niet treuren zoals de heidenen die geen hoop hebben.”

Hoop op, zoals hij het noemt, „een onschatbare eeuwigheid”. Daarin zal Sapira haar broer weer tegenkomen, bedoelt hij.

Ik ben meer zo’n hopeloze heiden die Annie M.G. Schmidt zou nazingen in haar Zonder jou met regels als: De wereld is wonderlijk leeg zonder jou./ Er staat maar zo weinig meer in./ De hemel is aldoor zo hinderlijk blauw./ Waarom? Wat heeft het voor zin?/ De merel zit zachtjes te zingen in ’t groen./ Voor mij hoeft ie heus zo z’n best niet te doen./ De wereld kon vol van geluk zijn, maar nou: /leeg, zonder jou.