Getuigen van dreigend geweld

Willie Doherty, Incident, 1993. Cibachrome 122×183 cm. Foto Kerlin Gallery, Dublin

Een bezoek aan Willie Doherty’s De Pont-tentoonstelling is als een wandeling door een landschap – het landschap van Noord-Ierland. Via Doherty’s foto’s en films lopen we over verlaten paden in en rond Derry, struinen door struiken, speuren langs bomen, stuiten op een verlaten parkeerplaats. Geen moment ben je op je gemak. Je weet namelijk dat dit Noord-Ierland is, toneel van decennialang geweld, aanslagen, terrorisme en dat steekt Doherty bepaald niet onder stoelen of banken. Hij neemt je als het ware bij de hand en toont de stille getuigen. Alles wat je op zijn foto’s of video’s ziet is verdacht, beladen, draagt de mogelijkheid van komend of verleden geweld in zich – een rondzwervende rode autodeur, een printplaatje in het gras, een blauwe jas met capuchon die om een steen is gedrapeerd. Was het een aanslag, een bom, een moord?

Maar Doherty brengt je ook aan het twijfelen: hoe zit het met dat lege sigarettenpakje op het industrieterrein? Dat rond-gevouwen stuk ijzerdraad in de bosjes? Zijn dat ook sporen van geweldplegers, terroristen, of is het gewoon afval? Langzaam slaat Doherty je zo met paranoia – en besef je dat de inwoners van Noord-Ierland heel veel jaren met dat gevoel hebben moeten leven. Sporen, die geweld worden door je eigen interpretatie. Of is er meer? Niet voor niets noemde Doherty zijn De Pont-expositie Unseen.

De bodem onder Doherty’s oeuvre, zo laat geen biografie over hem na te vermelden, ligt bij het meemaken, in 1971, van de beruchte Bloody Sunday waarbij de politie schoot op ongewapende betogers. De kracht van Doherty’s werk ligt er echter in dat hij die lokale thematiek ruimschoots overstijgt en dat hij daarbij elke vorm van moralisme vermijdt. Door zijn manier van filmen en fotograferen, met veel aandacht voor het licht, het contrast en de mysterie en de ongrijpbaarheid van het landschap, toont hij niet alleen de bijna alledaagse Noord-Ierse dreiging, maar tilt hij dat gevoel ook op naar een algemener artistiek thema: dat van de romantiek, of ‘het sublieme’ – het gevoel dat iets zo groots is, zo dreigend dat je het niet meer kunt beheersen. Dat slaat natuurlijk perfect op de situatie in Noord-Ierland en daarmee krijgt elk pad, elke schaduw ook iets van een metafoor voor ongrijpbaarheid en het menselijke gebrek aan beheersing in het algemeen.

Maar juist die ongrijpbaarheid houdt het spannend. In zijn vroege werk plakte Doherty nog woorden over zijn foto’s (op een Richard Long-achtige manier), tegenwoordig doet hij het meestal zonder. Alleen in de video’s horen we soms de stem van een verteller – het is de natuur, de sporen en jij, de toeschouwer die aan dit alles betekenis geeft. En daarbij kun je eigenlijk geen anderen gebruiken: als er andere mensen opduiken in Doherty’s werk is dat altijd aanleiding tot achterdocht of angst.

Mooi is bijvoorbeeld de korte film Passage (2006) waarin we twee mannen afwisselend, in steeds sneller ritme gemonteerd, op elkaar af ziet lopen. Geen van beiden doen ze iets, ze kijken alleen maar, maar toch voel je de spanning, het gevaar – zelfs als ze elkaar vervolgens passeren zonder iets te doen, neemt dat de spanning niet weg.

Doherty lijkt alles te vermijden om tot moralist te worden bestempeld, om een oordeel uit te spreken over de situatie in Noord-Ierland, maar toch is het veelzeggend hoe de tentoonstelling begint en afsluit. De tentoonstelling begint met het werk Roadblock, waarin we een betonnen roadblock zien, waar we telkens opnieuw op af rijden, alsof we er niet aan kunnen ontsnappen.

Het afsluitende werk, een eind verderop, toont een man die in rood licht over een brug rent – maar doordat het stukje film maar dertig seconden duurt zit de man gevangen in de tijd, op die plek. Nooit komt hij van de brug af, hoe hard hij ook rent. De metafoor is duidelijk met betrekking tot Noord-Ierland, maar het goede aan Doherty’s tentoonstelling is dat je daar op dat laatste moment al lang niet meer aan denkt. Dit is veel meer.