Feministische sirene Sinéad O’Connor zingt over schuld en boete

Foto Andreas terlaak

Klein, kaal en kwetsbaar stond ze daar. Sinéad O’Connor, de vrouw die de wereld aan haar voeten kreeg met één traan in de clip van Nothing compares 2U. Haar Prince-cover uit 1990 is nog niet vergeten, want er kan geen concert worden aangekondigd zonder melding van dat ene succesnummer. Maar O’Connor (47) heeft sindsdien tropenjaren achter de rug vol controverse, verscheurde foto’s van de paus, ruzie met de katholieke kerk en kritiek op jongere zangeressen die te koop lopen met hun seksualiteit.

Ze begon zacht, met een op het eerste gehoor poeslieve versie van John Grants Queen of Denmark. Al na twee coupletten barstte het los in een keiharde tirade van frustratie over alles wat haar ooit dwars heeft gezeten. Vooral haar eigen onzekerheid moest het ontgelden. En dat terwijl ze haar laatste album I’m Not Bossy, I’m The Boss doopte. Daarop leek het of O’Connor haar twijfels de baas was.

Haar huidige band is bijzonder goed op haar toegesneden, met twee vrouwen op bas en gitaar die ondertussen uitblonken in mooie samenzang. Zelfs a capella stonden ze hun mannetje. Take me to church is een van de krachtigste nummers die O’Connor in al die jaren maakte, met een intens samengaan van introspectie en een vernietigende uithaal naar de kerkleiders die ze hekelt. Gekleed in priesterkostuum met leren broek stond ze er bepaald niet charmant bij, maar wel als de feministische sirene die ze wil zijn.

Met haar gestileerde zang en teksten vol schuld en boete werd het geen gemakkelijk optreden, te meer toen bleek dat ze haar hit achterwege liet. Of vergat ze Nothing compares 2U voor het eerst in 24 jaar te zingen? Met diep beladen songs als Streetcars en het oudere The last days of our acqaintance werd het een avond van zware emoties, vertolkt door een vrouw die aan het eind haar lachen niet kon inhouden. Het had allemaal wat lichter gemogen.