De vlinders rukken op

Vlinders als de koninginnepage profiteren van stijgende temperaturen. Andere vluchten noordwaarts.

De koninginnepage was begin jaren 80 nog zeldzaam, nu komt hij in heel Nederland voor. Foto Thomas Bresson

Door de klimaatverandering verandert de vlinderstand. De vlinders vliegen twee tot drie weken vroeger in het voorjaar en blijven ook langer in de herfst actief. In een mooie nazomer krijgen ze vaker een tweede, derde of zelfs vierde generatie. Hun leefgebieden schuiven langzaam naar het noorden op. Vlinders passen zich sneller aan de klimaatverandering aan dan vogels. Tussen 1990 en 2008 steeg de gemiddelde temperatuur een graad of twee en schoof het leefgebied van de gemiddelde vlinderpopulatie 114 kilometer naar het noorden op, dat van de vogels maar 37 kilometer. Dat blijkt uit onderzoek van Chris van Swaay van de Vlinderstichting in Wageningen. Hij promoveert volgende maand op 25 jaar vlinderonderzoek.

„Half september zag ik ineens weer een dagpauwoog en twee dagen later zaten er wel tien op een vlinderstruik”, zegt Van Swaay. „Dat is al de tweede generatie dit jaar!” De dagpauwoog profiteert van het warmere klimaat. Zo ook de koninginnepage. „Begin jaren tachtig kon je die alleen op de Pietersberg bij Maastricht zien”, zegt Van Swaay. „Nu vind je hem in vrijwel heel Nederland.” Datzelfde geldt voor de gehakkelde aurelia, vroeger alleen in het zuiden te zien. Kleine vos en kleine ijsvogelvlinder staan eveneens in de plus. De braamparelmoervlinder en het kaasjeskruiddikkopje hebben zich zelfs nieuw gevestigd in Nederland.

Andere vlinders houden juist van koelere omstandigheden. Zo gedijt het veenbesblauwtje in de Finse en Siberische bossen. In Nederland komt het veenbesblauwtje alleen nog op de natste, koudste plekjes in veengebieden in Drenthe en Groningen voor; deze soort zit bij ons aan de zuidgrens van zijn leefgebied. Overigens groeit in Zuid-Nederland wél veenbes. Maar voor het veenbesblauwtje zijn de temperaturen daar net te hoog, zijn metabolisme raakt oververhit en daar gaat het aan kapot. Omgekeerd is deze vlindersoort juist wél bovengemiddeld goed bestand tegen de winterkou. Hij overwintert als klein rupsje, diep verscholen tussen de bladeren, zet zijn hele metabolisme stil en zet een deel van zijn lichaamssappen in het najaar om in anti-vriesstoffen om niet kapot te vriezen. In het voorjaar wordt dat proces weer teruggedraaid. De distelvlinder, een trekvlinder, heeft weer een heel andere levensstrategie. Deze tropische soort verovert vanuit Afrika elk voorjaar opnieuw de wereld. Hij vliegt tot in oktober ook in Nederland volop rond, maar bij de eerste nachtvorst vriest hij kapot. Het volgende voorjaar verschijnen dan weer nieuwe distelvlinders vanuit Afrika.

Niet alleen het klimaat verandert. Nederland kreeg de afgelopen decennia ook meer luchtvervuiling, te wijten aan stikstofbemesting. Hierdoor zijn vegetaties harder gaan groeien en dichter geworden. Voor overwinterende rupsen wordt het onder dat dichte plantendek juist koeler en dat is niet goed voor koudbloedige dieren als vlinderrupsen. Dit effect schaadt warmteminnende vlinders, maar kan er ook toe leiden dat koudeminnende soorten het hier langer volhouden dan verwacht. Soorten die als volwassen vlinder of als pop overwinteren, hebben minder last van dit effect.

Vooral ‘mobiele opportunisten’ die niet kieskeurig zijn, doen het goed in een warmer wordend klimaat. Voor andere, meer specialistische vlindersoorten die niet gemakkelijk trekken, blijft het afronden van het Nationaal Natuur Netwerk – zoals de Ecologische Hoofdstructuur nu wordt genoemd – volgens Van Swaay cruciaal.

Om de verspreiding van vlinders door Europa te monitoren ontwikkelden Van Swaay en collega’s de Community Temperature Index (CTI). Van Swaay: „Het voorkomen van vlinders is heel grillig. Soorten komen en gaan, ze koloniseren nieuwe plekken en sterven daar plaatselijk weer uit. Om de trends in de vlinderstand goed te monitoren kijken we niet zozeer naar individuele soorten, maar vooral naar de samenstelling van de vlindergemeenschap. Als het klimaat warmer wordt, zal een verschuiving optreden van koelteminnende naar warmteminnende soorten. De CTI blijkt hiervoor een heel gevoelige indicator. Omdat vlinders maar kort leven en vaak meerdere generaties per jaar doormaken, kunnen ze zich sneller aanpassen aan de evolutionaire selectiedruk in een veranderend leefmilieu.”

Om het natuurbeleid te controleren laat de Tweede Kamer zich jaarlijks informeren over de vlinderstand. Hiervoor is de Rode Lijst Indicator ontwikkeld, een jaarlijkse update van de Rode Lijst van bedreigde vlindersoorten, die nu aanvaard is als een van de indicatoren die de Tweede Kamer gebruikt om het natuurbeleid van jaar tot jaar te kunnen controleren. Tussen 2000 en 2006 was de vlinderstand op een dieptepunt, sindsdien gaat het geleidelijk de goede kant op.

Dat geldt niet voor het boerenland. Daar zijn vrijwel geen vlinders meer te vinden. Typische boerenlandvlinders leven nu vooral in tuinen en stadsparken. Wél houden natuurbeheerders tegenwoordig, mede dankzij de adviezen van de Vlinderstichting, meer rekening met vlinders, bijvoorbeeld door niet overal ineens te maaien en dat pakt gunstig uit. Van Swaay: „Ik verwacht dat de nieuwe Rode Lijst van bedreigde vlindersoorten die volgend jaar uitkomt, een stukje korter wordt dan de vorige uit 2005.”