Arthur is dood – en Roxy is nu bevrijd

In deze roman is Esther Gerritsen beter dan ooit. Het verhaal over een vrouw die haar man verliest voelt als een bevrijding.

Het is hoe dan ook een beeld dat beklijft, op pagina 103 van de nieuwe roman van Esther Gerritsen. ‘Louise zit met de laptop met een smurfen-dvd op haar kamer. Roxy neukt op de bank met de begrafenisondernemer.’

De context van de scène: Roxy is een 27-jarige vrouw die tien jaar eerder haar ouderlijk huis is ontvlucht (moeder alcoholiste, vader trucker) en in de armen van de veel oudere Arthur belandde. Ze zijn getrouwd en Louise is hun drie jaar oude dochtertje. De begrafenisondernemer is kort daarvoor in Roxy’s leven gekomen nadat Arthur was verongelukt. Wie ook in de auto zat: zijn stagiaire. En, zoals de slecht-nieuwsagente bedremmeld zei: ‘Ze waren naakt. Ze zijn aangereden op een vluchtstrook. Ze zijn naakt gevonden.’

Roxy is dubbel verlaten

Zo is Roxy in één keer dubbel verlaten. Niet alleen is haar man dood, hij bleek ook toen hij leefde al deels bij haar vertrokken te zijn. Voeg daarbij de driejarige die steeds ‘Waar is papa’ vraagt en je hebt alle ingrediënten voor een tranentrekker. Maar zo is Roxy niet.

Roxy ontvlucht in rap tempo de realiteit. Eerst dus met de begrafenisondernemer – en vervolgens vertrekt ze met haar dochter, de oppas en de voormalige assistente van haar man in de auto richting Frankrijk. Onderweg laat ze nog meer mannen zich aan haar vergrijpen, waarbij haar relatie tot de twee andere vrouwen logischerwijs verslechtert. Roxy betaalt weliswaar alles, maar door haar geslotenheid en haar egocentrische gedrag is de lol er voor de anderen al snel af. In tegenstelling tot Roxy tonen zij wél verdriet om Arthur.

Een tikje wereldvreemd

Een tikje wereldvreemd zijn de vrouwen in Gerritsens boeken meestal – en ze zijn niet zo goed met conventies. Dat geldt ook voor Roxy, maar omdat de conventie in haar geval diep en ernstig verdriet voorschrijft, geeft haar afwijking het boek iets lichts.

Gerritsen voert je in dit rouwverhaal van de ene vreemde wending naar de andere. En even vreemd zijn haar associaties. Zo verdwijnt de loden ernst uit het gesprek met de agenten door Roxy’s plompverloren vraag ‘Zit zijn pik er nog aan’. Er valt veel te lachen in Roxy.

Door de omstandigheden gedwongen wordt de weduwe uit haar hok gejaagd en daar waar je zou verwachten dat ze radeloos wordt, blijkt ze verrassend besluitvaardig. Slechts een klein deel van haar beslissingen is verstandig, maar het zijn in elk geval besluiten.

Dat maakt dat je Roxy niet zozeer leest als een roman over rouw, maar veel meer als een bevrijdingsverhaal. Tien jaar eerder werd Roxy door Arthur bevrijd van haar ouders, nu moet ze zichzelf zien te bevrijden, al ontdekt ze in de loop van haar reis pas waar haar gevangenschap nu precies uit bestaat – en waaruit niet. Zo is het boek ook geschreven: met een buitengewoon goed humeur, in een hoog tempo, geestig, vlot, dicht op de huid van de hoofdpersoon en met een onmiskenbare drang naar de volgende gebeurtenis, de wereld ín.

Zo goed op dreef was Gerritsen nog niet eerder: ze lijkt zelf ook wel bevrijd te zijn. Roxy is een boek waarin de complexiteit van de wereld, van liefde, verdriet en wat daar zoal voor doorgaat, op verrassend ongecompliceerde wijze wordt getoond.