Ze laten de feiten spreken

Michel Krielaars grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft zijn eerste indruk.

De Hongaarse Ágota Kristóf kwam in 1986 als een komeet de wereldliteratuur binnenvallen met haar trilogie Het dikke schrift [1]. De drie romans (Het dikke schrift, Het bewijs, De derde leugen) maakten diepe indruk door het kale Frans waarin ze geschreven waren. Kristóf (1935) vluchtte na het neerslaan van de Hongaarse opstand in 1956 naar het Westen. Daar begon ze te schrijven over haar ervaringen tijdens de Duitse en Russische bezetting van haar geboorteland. Haar hoofdpersonen zijn twee jongetjes, een identieke tweeling, die vertellen over de gruwelen die ze tijdens de Tweede Wereldoorlog meemaken. Op hun negende jaar zijn ze bij hun tirannieke grootmoeder op het platteland ondergebracht. De jongetjes houden een dagboek bij, ‘het dikke schrift’, waarin ze noteren wat ‘waar’ is. In gortdroge zinnen, van iedere emotie gespeend, beschrijven ze de verschrikkingen van de oorlog als een feitenrelaas: honger, geweld, verkrachting, moord, deportatie, zonder een moreel oordeel te vellen. Nu Het dikke schrift door Janos Szasz is verfilmd, is de trilogie heruitgegeven en bijna verplichte kost in tijden van nieuwe Koude Oorlog.

Het leed dat Oost-Europa heet, is ook mooi verwoord in de poëzie van de Russische dichter Boris Chersonski (1950). In deel 19 van de mooie serie Slavische Cahiers vertaalde een groepje Gentse slavisten zijn Familiearchief [2]. De tweetalige uitgave is een cyclus verhalende gedichten over de lotgevallen van een Russisch-Joodse familie in het zuidoosten van Europa, in het gebied tussen Lvov, Odessa en Tsjernovsty, dat in de loop der geschiedenis voortdurend bij een ander land hoorde, om te eindigen binnen de grenzen van het huidige Oekraïne. Twee wereldoorlogen, de Russische revolutie, de Stalin-terreur, de Holocaust komen voorbij, maar ook intieme thema’s als eenzaamheid, gekte, incest. Sommige personen keren in verschillende gedichten terug, waardoor je een band met ze krijgt en beseft dat de rijke wereld waarin ze ooit verkeerden voorgoed tot het verleden behoort. Chersonski wisselt ironie af met cynisme, wat zijn poëzie een zekere lichtheid geeft als hij zware onderwerpen behandelt. Zoals over een eenzaam familielid: ‘Rachil had eenzaam geleefd. / Uit vrees voor vijanden / Had zij geen vrienden.’ of ‘Op de wereld is geen oord / voor mijn soort // Ik wil nog een beetje leven, / dan mag God de dood mij geven. // Nog een maand. Een uur, nog één. / Niet meteen.’ De slavist Thomas Langerak voorzag deze mooie uitgave van een boeiend voorwoord.

Dat het onzin is om tegen Rusland op te trekken begrepen Napoleon en Hitler pas toen het te laat was. In Naar Moskou! Naar Moskou! Memoires van een officier uit de Lage Landen in het leger van Napoleon [3] vertaalde en bezorgde historicus Willem Oosterbeek de memoires van een van Napoleons vele Nederlandse officieren, Jean François Dumonceau. In diens eerlijke en uitvoerige herinneringen aan de Russische ramptocht klinkt behalve veel euforie ook ergernis door, zoals over Dumonceaus bevelhebber, de arrogante generaal Colbert: ‘Hij behandelt ons als bastaards, als paria’s.’ Dumonceau blijkt een oorlogscorrespondent met een helder waarnemingsvermogen, zoals je kunt lezen uit wat hij schrijft over de door de Fransen veroverde stad Smolensk: ‘Overal ligt een deken van stof over het terrein. Tussen de rotzooi kapotte wapens, willekeurig door elkaar gesmeten, afgewisseld met dode mannen en paarden. De lijken zijn allemaal door de ontbinding als gevolg van de hitte enorm opgeblazen. Overal is sprake van verrotting en overal hangt een lijkenlucht. Men is begonnen met de lijken te begraven. Onze gewonden zijn al verdwenen of worden op ambulancewagens geladen, maar de Russische gewonden blijven nog verspreid op het slagveld liggen.’ Dankzij Oosterbeeks commentaar krijg je een fascinerend beeld van wat er verder is gebeurd tijdens dat grote oostwaartse, tragische avontuur.

Napoleon gaf de Joden in zijn keizerrijk gelijke burgerrechten, maar maakte daarmee geen definitief einde aan hun discriminatie. In zijn toneelstuk Andorra [4] uit 1961 laat de Zwitser Max Frisch zien hoe het stigmatiseren van een bepaalde groep zich sluipend ontwikkelt. Daarbij benadrukt hij dat omstanders zich ten tijde van de vervolging van hun medemensen laf kunnen gedragen door zich blind te houden voor wat er om hen heen gebeurt. Maar misschien nog wel het interessantst in Andorra is hoe Frisch zich over de maakbaarheid van een identiteit buigt. Zo denkt zijn hoofdpersoon Andri aanvankelijk dat hij een Jood is en dat hij uit zijn geboorteland is gesmokkeld omdat hij gevaar liep. Maar eenmaal in zijn nieuwe land blijkt dat Andri helemaal geen Jood is. Hij is echter zo met zijn Joodse identiteit vergroeid dat hij eraan vast blijft houden, ook al weet hij dat hij vanwege die afkomst door de binnenvallende vijand vermoord zal worden. Het stuk geldt sinds zijn eerste opvoering in Zürich als een moderne klassieker. In zijn nawoord vertelt germanist Ewout van der Knaap over de receptiegeschiedenis van het stuk, die op zich genoeg stof biedt voor een grootste roman.