Voor Louise van Santen was de oorlog nooit ver weg

Foto Merlijn Doomernik

De oorlog was nooit ver weg voor Louise van Santen, al liet ze zich er, behalve in haar gedichten, weinig over uit. Het leven was iets om te vieren, al was er op haar 16de een deuk in geslagen.

De dichteres, schrijfster en vertaalster Louise – Wiesje – van Santen overleed op 19 september in haar Amsterdamse huis, omringd door haar drie kinderen. Ze werd 90, maar als je met haar sprak, had je altijd het gevoel dat er een sprankelende jonge vrouw tegenover je zat.

Wiesje van Santen kwam uit een geassimileerde Joodse familie – haar vader was mededirecteur van het Amsterdamse Tuschinski Theater. Tot 1938 woonde ze tegenover dierentuin Artis, die een veilige wereld symboliseerde, zo dichtte ze. ‘Niemand had angst om daar te verdwalen / de oppasser vertelde / hoe laat het was / en waar je mocht gaan / in Artis-jargon. / Klaarblijkelijk kon je elk mens / nog vertrouwen. / Het was een paar jaar / voor de oorlog begon’.

Op het Montessori Lyceum werd ze verliefd op klasgenoot Gideon (Gi), Boissevain. Bij hem thuis werd tijdens de oorlog verzetsgroep CS-6 opgericht. Wiesje stal en vervalste persoonsbewijzen.

Toen de SD de groep oprolde, werden Gi en de meeste andere leden van CS-6 geëxecuteerd. Wiesje van Santen werd ook gearresteerd, maar kwam na een maand vrij, omdat de SD haar wilde inzetten als infiltrant. Ze vluchtte en dook onder.

Na de oorlog – haar familie had het overleefd – ging ze naar het buitenland om de oorlog te vergeten. In New York ontmoette ze Paul Schwarz, een Amsterdamse ondernemer die net als zij uit een geassimileerd Joods milieu kwam en ook ondergedoken had gezeten. Ze trouwden en kregen drie kinderen. In 1958 keerden ze terug naar Nederland. In gedichten begon ze nu haar oorlogsherinneringen te verwoorden. Toen Ed Hoornik ze onder ogen kreeg, publiceerde hij er enkele in zijn tijdschrift De Gids. In 1964 verscheen haar eerste bundel, David zonder Schild; er zouden er nog vijf volgen. Ook verscheen in 1971 Sjanson, een bundel cabaretliedjes, de roman Wie valt doet niet meer mee en het kinderboek Hoor je mij?.

Maar beroemd werd ze met haar vertalingen van het werk van de Amerikaanse dichteres Emily Dickinson (1830-1886).

Toen Paul Schwarz – „de belangrijkste man in mijn leven”, zoals ze in een interview zei – in 2006 overleed, kwamen de herinneringen aan Gi terug. Ineens was de oorlog er weer, die oorlog waarover ze met haar dierbaren nooit sprak, omdat het leven anders ondraaglijk zou zijn geweest.