De correlatie tussen imidacloprid en de vogelstand is niet afhankelijk van extremen

In de rubriek Alledaagse Wetenschap (20 sept. ) legt Karel Knip onze publicatie in Nature onder een vergrootglas. Die publicatie ging over de relatie tussen lokale vogeltrends en de concentraties imidacloprid in het oppervlaktewater. Geïllustreerd met eigen indrukken bekritiseert hij onze aanpak. De kanttekeningen van Karel Knip laten zien dat een studie als de onze niet gemakkelijk naar de beleving van alledag te vertalen is. We hebben dus wat uit te leggen, wat we hier in kort bestek zullen doen.

We hebben naar vijftien algemene insectenetende vogelsoorten van het boerenland gekeken. Onze analyse over heel Nederland is gebaseerd op zo’n 1.500 vogelpopulaties die elk maximaal vijf km van een meetpunt van het insecticide lagen, anders dan Alledaagse Wetenschap beweert. Overigens levert een analyse waarbij we de afstand terugbrengen tot maximaal 1 km op basis van een geringer aantal populaties hetzelfde resultaat op. Karel Knip zag dat we relatief weinig vogeltellingen hebben in gebieden met extreme hoge waarden van imidacloprid. Dit is juist. De gevonden correlatie is echter niet afhankelijk van deze extremen, die juist wordt bepaald door de vele meetpunten bij lage en matig hoge imidaclopridwaarden. Het verband op de schaal van Nederland is daarmee heel degelijk, gebaseerd op heldere statistiek. Niks eigenaardigs aan.

Lastiger is de resultaten te vertalen naar de eigen achtertuin. Een landelijke waargenomen trend zegt niet per se iets over wat er lokaal, in het voorbeeld van Karel Knip de Zuid-Hollandse duinen, aan de hand is. Net zoals een grootschalig bevolkingsonderzoek (‘mensen sterven eerder naarmate ze meer roken’) niets zegt over individuele gevallen (‘opa is 90 geworden en die rookte als een ketter’). Ook bij ons is er veel variatie in de gegevens, maar als de afwijkingen de overhand zouden hebben, dan hadden we de correlatie niet gevonden.

Deze informatie uit het veld heeft een belangrijke toegevoegde waarde aan al de studies die directe effecten van gifstoffen meten in het laboratorium. Net zoals een bevolkingsonderzoek naar effecten van roken is ook onze studie signalerend en agenderend.

Zijn er dan geen eigenaardigheden aan het licht gekomen? Zeker wel. Ook ons is opgevallen dat bosrietzanger en kleine karekiet een vrij zwakke correlatie lieten zien. Toch hebben we deze soorten meegenomen in de totaalanalyse, die vervolgens een overtuigend sterke negatieve correlatie laat zien tussen lokale vogeltrends en imidacloprid op landelijke schaal. Goed onderbouwd en onontkoombaar.

Ruud Foppen

Naschrift Karel Knip

De fundamentele zwakte in het onderzoek van De Kroon en Foppen is dat ze twee bestaande datasets vergeleken die ruimtelijk niet overlappen. Er zijn vogels geteld op plaatsen waar geen wateronderzoek was gedaan en andersom. Om zich uit het probleem te redden hebben de onderzoekers de uitslagen van de wateranalyses op een wonderlijke manier geïnterpoleerd, alsof een hoge imidacloprid-concentratie op de ene plek voorspellende waarde heeft voor de concentratie vele kilometers verderop.

Bovendien moesten ze (om voldoende waarnemingen over te houden) aannemen dat de insecten waarvan hun 15 geselecteerde typische boerenlandvogels (kennelijk vallen roodborsttapuit, geelgors en grote lijster daar ook onder) leven nog tot op 5 kilometer afstand last hadden van watervervuiling. Op welke grond ze de 15 vogelsoorten van hun onderzoek kozen blijft onvoldoende duidelijk. Een controle-onderzoek met meer herbivore vogelsoorten ontbreekt.