Column

Vechten voor vrede in post-heroïsche tijden

Decennialang hebben veel Europeanen geloofd dat er nooit meer oorlog zou komen op dit continent. Wij stonden daar nu ‘boven’. Na twee bloedige wereldoorlogen hadden wij eindelijk van de geschiedenis geleerd – of liever, we hadden de geschiedenis overwónnen. De Europese eenwording bracht ongekende economische voorspoed. Legers werden kleiner, net als families die geen kinderen meer hoefden te verliezen aan oorlog, honger en ziektes. Welvaart en geluk werden in Europa belangrijker drijfveren dan trots en eer. Mannen werden geen soldaat meer, maar werkten parttime. Sommigen werden zelfs huisman.

Maar helaas, de rest van de wereld bleef masculiener en zwoer de gewapende strijd niet af. IS onthoofdt Europeanen. Jihadi’s zouden aanslagen beramen in Europa. De Russische president pocht aan de telefoon tegen zijn Oekraïense president dat zijn leger binnen een paar dagen in Warschau of Riga kan staan.

Dit zijn geen ‘stammen’ meer die elkaar ver weg bevechten, omdat zij het licht van de beschaving nog niet hebben gezien. Of dictaturen die, duizenden kilometers van ons vandaan, minderheden over de kling jagen. Nee, dit komt ineens heel dichtbij. Dit bedreigt Europa zelf. En dat heeft extreme moeite om hierop een antwoord te formuleren. Een tergend dilemma: wat doet een maatschappij die haar hele naoorlogse politieke bestel heeft gebouwd op het verwezenlijken van de droom van eeuwige vrede, als ze zelf wordt aangevallen?

De Duitse politicoloog Herfried Münkler schreef deze week in de Neue Zürcher Zeitung dat dit de achilleshiel is van Europa als vredesproject: onze „post-heroïsche maatschappijen streven ernaar hun omgeving en grenzen te pacificeren en militaire interventie zo lang mogelijk te vermijden.”

Zelfs Britten en Fransen voeren eigenlijk geen klassieke oorlogen meer. Ze hebben afgelopen jaren – ook in hun voormalige koloniën – vooral geopereerd onder het label ‘humanitaire interventie’ en vanuit de ‘responsibility to protect’. En zelfs daarvoor krijgen ze vaak geen steun meer van hun eigen bevolking. Vaak doen Europese soldaten veredeld politiewerk.

Het echte werk laat Europa grotendeels aan de Amerikanen over, die na de Koude Oorlog tegen wil en dank ’s werelds politieman zijn gebleven. De VS voeren oorlogen als nooit tevoren. Ze slepen de Europeanen mee, die constant op de rem staan uit angst iemand te provoceren, maar er niet in slagen een eigen defensie op te zetten. Veel Europese regeringen onderhandelen over het betalen van losgeld voor Europese gijzelaars die vermoord dreigen te worden. Dit losgeld, schrijft Münkler, is in zekere zin „de premie die mensen die in het vredesideaal blijven geloven, betalen aan diegenen die wel geweld willen gebruiken.” Maar hoe lang kan Europa hiermee doorgaan?

Er kan een moment komen waarop de prijs te hoog wordt. Dat wordt een interessant moment, omdat het de hele orde van het naoorlogse Europese vredesproject omver haalt.

We moeten uitkijken met verhalen over jihad-complotten of verijdelde aanslagen in Europa. Veel berichten zijn niet te controleren. Dit zijn gouden tijden voor paniekzaaiers en hypejagers die, al dan niet met een politieke agenda, achter elke boom een boze Rus of islamstrijder willen zien. De Duitse minister Steinmeier heeft terecht gewaarschuwd niet overhaast verkeerde beslissingen te nemen, omdat dit „tientallen jaren aan werk voor vrijheid en veiligheid in Europa teniet doet”. Dit is precies wat hier op het spel staat: dat Europa zo zijn eigen vredesdroom zelf kapot maakt.