Spoor van verwoesting

Geen land ter wereld kapt zo snel regenwoud als Indonesië. Niemand die de ontbossing een halt toe kan roepen. Een tocht door de oerwouden van Borneo maakt duidelijk waarom: alles moet wijken voor palmolie.

Samarinda,

kilometer 0

De orang-oetans komen meestal meer dood dan levend binnen. De moeders van de apen bij het Center for Orangutan Protection, ofwel COP, zijn doodgeschoten door houthakkers. De wezens zijn kaal door de stress en ziek door het langdurige contact met mensen. Ze zijn ontheemd, hun habitat is platgewalst. Als de levensgrote tyrannosaurus rex die de poort bewaakt een voorbode is, gloort er weinig hoop voor de bewoners van het universiteitsbos van Samarinda in Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo.

Klimmen zijn de orang-oetangs verleerd. Iedere dinsdag krijgen ze les. Verzorger Ramadhani („zeg maar Dani”) klimt in een boom. Aarzelend volgt Pingpong hem omhoog. Twee jaar geleden werd Pingpong binnengebracht na jaren opgesloten te hebben gezeten in een wc op een palmolieplantage.

„In het oerwoud zijn orang-oetans meester”, zegt Dani. „Maar op plantages zijn ze indringers. Orang-oetans vinden de palmen lekker om te eten, dus schieten beveiligers ze dood. Het is triest. Het behoud van orang-oetans, beren, neushoorns en apen wordt niet belangrijk gevonden. Geld verdienen met ontbossing des te meer.”

Ooit was Borneo, een eiland zo groot als Turkije, een ongerepte jungle. Nu zijn de orang-oetans alleen veilig in het universiteitsbos. En zelfs dáár is het lastig. De apen krijgen alleen midweeks klimles. In het weekend is het te druk met dagjesmensen uit Samarinda, een boomtown in Oost-Kalimantan waar de rijkdom van steenkool, houtkap en palmolie zich vertaalt in lelijke winkelcentra, eindeloze filialen van Pizza Hut, KFC en McDonald’s en karaokecafés, waar de prostituees belangrijker zijn dan de liedjes.

„Maandag moeten wij hun rotzooi opruimen”, zegt Dani. „Zelfs hier zijn de apen van ondergeschikt belang.”

In Jakarta is geschokt gereageerd op het nieuws dat Indonesië Brazilië van de troon heeft gestoten als het land dat het snelst haar regenwoud platwalst. Dat onthulden wetenschappers van de University of Maryland afgelopen zomer in tijdschrift Nature. Dat zorgde voor teleurstelling onder diplomaten en activisten, die al jaren pogen de kap van het regenwoud te stoppen.

Noorse diplomaten bieden Indonesië een miljard dollar als ontbossing bestreden wordt. Milieuorganisaties als Greenpeace doen er alles aan om goed gedrag af te dwingen. Ze maken afspraken met palmoliebedrijven en voeren campagne tegen bedrijven die te weinig doen. De Indonesische regering zegt duurzaamheid belangrijk te vinden. Er geldt een presidentieel moratorium op de kap van onaangetast primair regenwoud. Het heeft allemaal weinig effect. De bomen blijven vallen in Indonesië.

Ik wil weten waarom.

De frontlinie van ontbossing loopt door Kalimantan. Sumatra in het westen is al één aaneenschakeling van plantages, terwijl Papoea in het oosten de volgende onaangeroerde schat is. Kalimantan is nu aan de beurt. Als het huidige tempo van ontbossing doorzet, is er over een eeuw bijna niks meer over van het 130 miljoen jaar oude regenwoud. Verzorger Dani en zijn maat Paulinus Kristianto nemen mij op een tocht dwars door de oerwouden, kaalslag en plantages van Oost-Kalimantan.

Het oerwoud,

kilometer 240

Na een volle dag rijden barst de regenbui los, net als de ondergaande zon het groen uit de jungle en het oranje uit de hemel trekt. De onverharde weg verandert binnen tien minuten in boetseerklei. Zwetend sjort Dani aan het stuur om de Mitsubishi Triton, een bakbeest van een pick-uptruck, op de weg te houden.

„De grote weg is niet ver”, zegt Dani. Een half uur glijden en bonken >> >> later is het nog steeds donker, nat en glad. „Nog een half uur”, schreeuwt Dani. Een goede Indonesische gastheer stelt gerust, ook al is hij verdwaald.

Opeens verliest Dani de controle. De krachtige jeep kukelt in een gat naast de modderbaan. We zitten muurvast.

Paulinus besluit naar het dichtstbijzijnde dorp te lopen, vijftig kilometer verderop, om hulp te halen. Wij bewaken de auto. De hemel trekt open en in de verte rommelt het onweer na. Duizenden sterren schitteren. De struiken ritselen en knisperen. In de verte snuift een beest. Ik hoor stappen, maar zie niks. We leggen een plastic zeil op de vochtige grond en proberen te slapen.

Als de mistflarden tussen de boomkruinen hangen en de zon opkomt, schiet ik wakker door een neushoornvogel die laag over ons heen vliegt en zijn vleugels uitslaat. De vogels zetten het ochtendconcert in. De apen vallen bij, tot de kettingzagen in de verte snerpend hun tanden in het hardhout zetten en de serenade verstoren.

Als het water op is en de bomen geen schaduw meer bieden tegen de middagzon, toetert een auto en hangt Paulinus zwaaiend uit het portier van een wrak van een terreinwagen. Na dertig uur zonder eten, storten wij ons op de gebakken kip en nasi goreng die onze redder heeft meegenomen.

Terwijl ik de rijst naar binnen schrok, zie ik hoe de jeep met een gierende motor en walmen zwarte rook onze terreinwagen vlot trekt. Het stinkt naar verbrand rubber. We kunnen verder.

De kaalslag,

kilometer 250

Na nog geen kwartier rijden vanaf de plek waar we vastzaten, begint de verwoesting. Eén keer eerder heb ik zulke verwoesting gezien: vorig jaar op de Filippijnen na supertyfoon Haiyan. Maar dit is geen natuurramp, dit is bewust beleid.

Links van de weg liggen enorme boomstammen over elkaar. Sommige zijn netjes gezaagd, andere met bulldozers omver geduwd tot ze knakten. Rechts van de weg is de grond zwartgeblakerd. Het hout is verkoold. Een stam van een meter of twintig hoog staat kaarsrecht. Langzaam kringelen er rookwolken uit de bast.

Een man met een kettingzaag hakt stammen in blokken. Hij groet, maar legt één hand op zijn mandau, het traditionele kapmes van Dayaks, de trotse stam die de oerwouden bewoont en in Indonesië bekendstaat als koppensnellers.

„Waar gaan jullie naartoe?”, vraagt hij.

Eindje rijden, antwoord ik.

De man knikt en gaat verder met zagen. Paulinus, zelf een Dayak, ontploft. „Dayaks hebben eeuwenlang geleefd in de jungle. Nu zijn we zo stom om ons land spotgoedkoop aan de palmoliebedrijven te verkopen, alleen omdat ze beloven wegen, scholen en gebedshuizen aan te leggen, vaak hele of halve leugens. Dorpshoofden worden gepaaid, zolang die ervoor zorgen dat de bedrijven ongestoord hun gang kunnen gaan. De bewoners stemmen altijd in en worden genaaid waar ze bij staan.”

De plantage,

kilometer 290

Na de kaalslag, volgen de plantages. Daar verdwijnt de staat en nemen de bedrijven het over. Op Kalimantan maakt de Republiek Indonesië plaats voor het Koninkrijk Sinarmas en het Sultanaat Darby. Urenlang kun je rijden, langs rechte rijen eucalyptusbomen en oliepalmen, zonder het territorium van deze bedrijven te verlaten. De wegen zijn breed voor de vrachtwagens.

Terwijl het oerwoud vogelvrij is en je er dagenlang geen boswachter tegenkomt, worden de grenzen van de plantages streng bewaakt.

Langs de kant van de weg staan opvallend veel junglehuizen volledig beschilderd met het oranje-zwarte luipaardpatroon van Pemuda Pancasila, een oude knokploeg van de overleden president Soeharto, en inmiddels ordinaire maffiosi die beveiligingsdiensten leveren. Het is een publiek geheim dat de politie met plezier pottenkijkers overdraagt aan deze preman, ofwel gangsters, voor een paar klappen.

Bij zijn huis aan de rand van een palmolieplantage ontmoet ik Amai Uday, een 57-jarige Dayak-boer met droeve ogen. Vroeger had hij een paar hectare oerwoud, waar hij af en toe wat bomen en rotan kapte en een beetje koffie, cacao en vanille verbouwde. Nu is hij onderdeel van het anonieme leger voetvolk dat de plantages bemant.

Drie jaar gelden kocht een groot Indonesisch palmoliebedrijf het land rond het dorp van Amai op. De keuze was vertrekken of meewerken. „Wij verkwanselen alles wat wij hebben. Het oerwoud was ons heden en onze toekomst. Wij verbouwden er gewassen. Nu verdien ik te weinig om voor mijn gezin te zorgen. Als ik oud en stram ben, flikkeren ze mij er gewoon uit. Wat heb ik dan? De Dayaks van Kalimantan sterven samen met het regenwoud uit”, zegt Amai. Hij lacht cynisch en wrijft de pijn uit zijn stramme handen.

De bewoonde wereld,

kilometer 448

Urenlang wisselen plantages, oerwoud en kaalslag elkaar af, tot we uitkomen in provinciestad Berau. Over de modderige rivier varen trekschuiten beladen met piramides van steenkool. Een souvenirwinkel verkoopt T-shirts met foto’s van graafmachines en de slogan ‘Coal Mining East Borneo’. Hier loopt Indonesië binnen.

Op het kantoor van het regentschap, een bloedhete doorrookte ruimte waar ambtenaren achter typmachines zitten, ontvangt Widjil Rahadi, een gezette Javaan die over bosbouw gaat. Gelaten legt Widjil uit waarom het moeilijk is het regenwoud te beschermen.

„Dorp, regentschap, provincie, centrale overheid. Iedere bestuurslaag heeft iets te zeggen over of er gekapt mag worden. En dan zijn er zo veel verschillende classificaties van bos”, zegt Widjil. „En allemaal belangen. De lokale overheid wil inkomsten uit het verstrekken van vergunningen. De regering wil belastingsgeld voor houtkap. De wereldmarkt, ook Europa, zit te springen om palmolie. Bepaalde elementen kunnen de druk dan hoog opvoeren om wel te kappen”, zegt Widjil.

‘Bepaalde elementen’ is omfloerst Javaans voor bedrijven en machtige mannen met politieke connecties uit Jakarta, maar dat durft Widjil niet on the record te zeggen. De meeste miljardairs in Indonesië hebben hun fortuin vergaard met palmolie, berekende het Amerikaanse zakenblad Forbes een paar jaar geleden.

Widjil steekt de ene sigaret na de andere op. „Natuurlijk is het regenwoud in theorie belangrijk voor de mensheid. Maar met de longen van de wereld intact laten, wordt Indonesië niet rijk.” <<