Op eilanden waar de handel bloeit, volgen de exoten

Foto Neil Losin

Deze hagedis met felrode keelvlag is een Sagra’s anolis (Anolis sagrei), op de foto gezet in Florida. Ooit kwam deze hagedissensoort alleen op Cuba voor, maar inmiddels heeft hij zich over de hele Caraïben verspreid. De hagedis kwam in de jaren 40 als verstekeling op een schip naar Florida. Op dezelfde manier koloniseerde de anolis andere eilanden in de Caraïben.

Steeds meer planten en dieren liften mee met de mens. Bijvoorbeeld als soorten ongezien meereizen in ballastwater van schepen of handelswaar. Daar waar de handel bloeit, volgen de exoten. Dat concluderen drie biologen, onder wie Matthew Helmus van de Vrije Universiteit in Amsterdam, deze week in Nature (25 september) uit onderzoek naar de verspreiding van anolishagedissen in de Caraïben.

Met hun onderzoek herschrijft het drietal de klassieke eilandtheorie van E.O. Wilson en Robert MacArthur uit de jaren 60. Wilson en MacArthur verklaarden toen met ‘eilandbiogeografie’ waarom het ene eiland meer soorten telt dan het andere. Hun theorie rustte op twee pijlers. Eilanden dichtbij de kust waren soortenrijker dan afgelegen eilanden, omdat kolonisten van het vasteland de overtocht vaker succesvol afleggen. En grote eilanden tellen meer soorten dan kleine, omdat ze een diverser ecosysteem kunnen herbergen.

Maar dat was in een wereld waar dieren en planten alleen via natuurlijke routes eilanden konden bereiken, via drijfhout of wind. In het tijdperk mens, het antropoceen, bepaalt niet langer geografische isolatie, maar economische isolatie de soortenrijkdom om ons heen (de eilandregel over grote en kleine eilanden geldt nog wel). De biologen voorspellen dat als de Verenigde Staten het handelsembargo met Cuba opschorten, het eiland rap 1,65 anolissoorten rijker zou zijn.