Met één been in het graf

Denker des Vaderlands René Gude (57) heeft niet lang meer te leven. Wat doet dat met zijn ideeën? Hoe denkt een filosoof over de dood? „Doodgaan is vooral kut voor de nabestaanden.”

Stel dat ik nu ineens in een leren broek op een grote Harley Davidson met een jong ding achterop door Australië zou gaan knorren en mijn gezin achter zou laten. Wat betekent dat dan voor mijn oude leven?”

Filosoof René Gude (57) barst in lachen uit bij de gedachte. „Ik heb misschien nog twee maanden te leven. Maar als je weet dat je doodgaat, waarom zou je dan ineens dingen gaan doen die je voorheen nooit hebt gedaan? Mij lijkt het een domme strategie. Dan zou je dus het leven met familie, vrienden en collega’s op het laatst een dreun geven door te zeggen: ik ga nu echt leven. Dat lijkt me geen goed signaal over het leven dat je hebt geleid. Bovendien: op die tocht door Australië krijg je vast een lekke band en knallende ruzie met dat jonge ding.”

De Denker des Vaderlands zit op het terras van zijn woonboot in Amsterdam-Noord. Boeken en lege koffiekopjes op tafel. Een laptop voor zijn neus. Twee krukken staan tegen een stoel.

In 2007 werd bij Gude, destijds nog directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden, botkanker geconstateerd. Een beenamputatie volgde in 2011, maar bij onderzoeken werden ook ‘foute vlekjes’ in zijn longen gevonden. Vier keer werd hij geopereerd om de uitzaaiingen eruit te halen. Dat leek goed te gaan, tot in maart dit jaar een nieuwe tumor in de longen werd ontdekt.

„Een plekje van niets”, zegt Gude. „Maar het groeide snel en zit op een gevaarlijke plaats, vlak bij een slagader.” Afgelopen juli werd die kwaadaardige plek intensief bestraald. Het bleek ‘dweilen met de kraan open’. „Er waren ook alweer andere plekjes opgedoken. Het was slechts een poging het zaakje zo lang mogelijk te rekken. Nu is de trukendoos leeg.”

In de korte tijd die hem rest, doet Gude wat hij altijd heeft gedaan. Hij leest, schrijft, twittert, filosofeert, drinkt en gaat met zijn vrouw Babs en twee zonen naar Texel. „Ik wil mijn leven evalueren met mijn geliefden. Er zijn mensen die moedig, in hun eentje, het beest in de ogen kijken, maar dat is niks voor mij. Doodgaan is helemaal niet zo ingewikkeld, het is vooral kut voor de nabestaanden.”

De enige goede angst voor de dood is volgens hem de angst voor de dood van een ander. „Als je een leven hebt opgebouwd met anderen en je ineens ertussenuit gaat, voelt dat ook fysiek als een vorm van amputatie. We zijn geneigd om te denken: all is fair in dying, maar toch heeft een persoon, wetende dat hij gaat sterven, niet het recht om zich te vroeg terug te trekken uit het gezamenlijke project dat leven heet. Het besef dat die eindigheid verdriet met zich meebrengt bij de mensen om je heen, maakt dat je beter kunt meedoen met het lenigen van dat verdriet.”

Dat laatste probeert Gude. Niet alleen thuis, maar ook in de publieke ruimte. Op bijzonder fanatieke wijze. Sinds hij begin vorig jaar door vakgenoten werd uitgeroepen tot Denker des Vaderlands, verschijnt hij overal in de media. Hij schrijft voor Trouw, zit geregeld aan tafel bij De Wereld Draait Door, publiceerde met Volkskrant-journaliste Wilma de Rek het boek Stand-up filosoof, bracht een etmaal door met Theo Maassen in het VPRO-programma 24 uur met… en publiceerde deze maand met Wim Brands, die hem ook twee keer uitgebreid interviewde voor omroep Human, het boekje Sterven is doodeenvoudig. Iedereen kan het.

Waarom die publicatiedrang? Is dat omdat je nog te weinig hebt geschreven?

„Ik doe nu wat ik altijd heb gedaan. Ik ben leraar en maak me druk over het publieke >> >> gesprek. Dat doe ik door de gedachten van mijn filosofische voorgangers te gebruiken in het huidige debat. Als ik met die kennis bij DWDD kan zitten, een praatprogramma dat 1,3 miljoen kijkers trekt, dan is dat fantastisch.”

Heeft je ziekte eraan bijgedragen dat je in de spotlights bent komen te staan?

„Zeker. Om met Elsevier-journalist Gerry van der List te spreken: voordat deze man een been verloor, had niemand van hem gehoord. Niet geheel onwaar. Door mijn ziekte wordt nu al mijn filosofische kennis beproefd. Ik heb me als een terriër in bepaalde thema’s vastgebeten, zoals de verhouding tussen emotie en rationaliteit. Dat gedachtegoed had roemloos ten onder kunnen gaan. Maar omdat ik van collega’s de Denker des Vaderlands mag zijn, krijg ik nu een kans. Dat maakt mij gelukkig. Ook omdat ik echt iets te bieden heb. Ik wil geen valse bescheidenheid tonen. Het is fijn om dat waar je lang aan hebt gewerkt met een breed publiek te delen.”

Wat wil je dan delen?

„Een beter gebruik van de rede. Het woord filosofie betekent letterlijk ‘liefde voor wijsheid’. Met als uitgangspunt dat je samen nadenkt over het menselijk tekort. Want jij weet iets en ik weet iets en als we ons samen over iets buigen, weten we straks iets meer en kunnen we onszelf en de samenleving verbeteren. Plato was al voorstander van de orale cultuur, daarom schreef hij dialogen. Dat is ook de reden dat ik ben begonnen met Filosofie Magazine en het ISVW heb opgericht. Beide zijn pogingen geweest om filosofie bij een breed publiek te brengen. Via het uitwisselen van inzichten, kunnen we, op een niet-autoritaire manier, een collectieve intelligentie ontwikkelen.”

Niet-autoritair, wat moet ik me daarbij voorstellen?

„Als je jezelf als een moreel voorbeeld presenteert, ben je als leraar al niets meer waard. Dan gaan mensen je op iedere fout wijzen en zeggen dat je inconsequent bent. De filosofen waar ik van hou, waren ook geen toonbeeld van een verheven moraal. Kant wordt vaak op handen gedragen. Men denkt dat hij een gortdroog figuur was die zich keurig gedroeg en iedere dag, rond hetzelfde tijdstip, een wandelingetje maakte. Maar hij was juist een heerlijke dandyachtige zuiplap die hield van biljarten en roken en dus ook liep te tobben met problemen. Van daaruit is hij gaan denken over zelfbeheersing en autonomie. Dat spreekt mij aan. Ik houd ervan als filosofen over concrete problemen nadenken.”

Concreet?

„In dit tijdsgewricht kampen talloze mensen met zaken als euthanasie, ontslag, echtscheiding; allemaal confrontaties met de eindigheid die we gezamenlijk kunnen onderzoeken, voor je er persoonlijk een besluit over neemt. Een gesprek over de dood is misschien wel de meest prangende kwestie. We worden nu twee keer zo oud als een eeuw geleden, maar in die gewonnen tijd leven we wel met allerlei kwalen.

„Zelf ben ik ook al zeven jaar bezig met mijn sterfproces. De medische wetenschap heeft ervoor gezorgd dat kanker van een dodelijke ziekte, een chronische ziekte is geworden. We leven dus niet alleen langer, we sterven ook langer. Nu kunnen we daar wel allemaal apart, ieder voor zich mee worstelen, maar dat is bijna wreed. Godverdomme, we gaan allemaal dood! Zullen we nou eens bespreken hoe we daarmee omgaan?”

Loop je zelf niet eindeloos te tobben? Is dat niet de reden dat je nog zoveel wil doen en vastleggen?

„Nee, ik heb nog niet erg in de put gezeten. Zeker niet bij tegenslagen tijdens mijn ziekte. Het moment dat het bij mij uit de klauwen liep, was de eerste keer dat mijn vrouw en ik goed nieuws kregen. Al in 2010 – toen ik nog dacht dat alles goed zou komen – meende de oncoloog een uitzaaiing te zien in mijn longen. Dramatisch nieuws, maar we vingen dat geroutineerd op. Maar vlak voor de behandeling vertelde hij dat er niets was, geen nare operatie, alle reden om weer helemaal hoopvol te worden. Door dat bericht werd ik echt van mijn sokken geblazen.”

Waardoor kwam dat?

„Mijn verdediging was opgebouwd om slecht nieuws te incasseren. Dit nieuwe bericht verraste mij. Ik was volkomen naakt. Het was niet te harden. Ik heb keihard zitten huilen.”

Dus de mens boort onvermoede krachten aan als hij moet overleven?

„Als je vage berichten krijgt over je mogelijke levensduur, heb je veel energie nodig om het leven gaande te houden. Het belangrijkste is dat je terechte onzekerheid niet vervangt door verkeerde zekerheden. Artsen zijn niet goed ingesteld op de reacties die mensen geven als ze slecht nieuws te horen krijgen. Terwijl die vaak simpel zijn. De een wordt woedend en zegt: ‘Dit kan mij niet overkomen.’ De ander neemt de prognose te serieus en beschouwt zichzelf als verloren. In beide gevallen neigt de patiënt het nieuws te verabsoluteren. Daarmee raakt de boodschap losgezongen van de realiteit.”

Wat kan een arts daaraan doen?

„Hij of zij zou de patiënt beter moeten begeleiden in het leven met onzekerheid. Het hele leven is onzeker, maar we hebben de neiging te leven met schijnzekerheden. Het doodsbericht kan een weliswaar >> >> harde, maar goede leerschool zijn om zonder schijnzekerheden te leren leven.”

Ga je zelf ook zo met die onzekerheid om?

„Ja. Ik gebruik wat ik heb geleerd van de Griekse sceptici. Ken je het begrip epoché? Dat is ‘de volkomen onnatuurlijke houding om niet te oordelen’. In het dagelijks leven willen we snel een oordeel, een beslissing, want we moeten door. Maar wat als je nou eens de nerve hebt om niet meteen je mening klaar te hebben? Sofisten als Protagoras, maar ook later Phyrro van Elis wezen erop dat ‘no decision’ toch beter is. Je blijft in de onderzoeksmodus staan en maakt jezelf minder vaak belachelijk.”

Waarom?

„Je kunt onzekerheid laten bestaan en tegelijk zoeken naar zekerheden die wél houvast bieden. Via de wetenschap bijvoorbeeld. Als jouw geest in een verwarde knoop begint te raken omdat jij jezelf vermeende zekerheden voorschotelt, kun je beter naar de wetenschap stappen en vragen: zit ik op het goede spoor of niet? Een simpel voorbeeld: ik heb twee zoons, ik wil liever niet dat zij ook botkanker krijgen. Mijn vraag aan mijn arts was dus: is het genetisch? Dat blijkt niet het geval. De arts kan dat baseren op uitgebreid onderzoek. En dus zijn wij nu allevier van deze zorg verlost. Dat is de troost van de harde wetenschap.”

René Gude vertelt dat hij, dankzij deze levenshouding ook beter in staat is zijn goede humeur te bewaren. En hierdoor is hij weer beter in staat om het verdriet over zijn naderende dood met zijn naasten tegemoet te treden. Op de vraag of dit ook echt lukt, blijft hij even stil. Dan beginnen de tranen over zijn wangen te rollen.

„Ik moet er een beetje van huilen”, zegt hij. „Het kan lukken natuurlijk. Ik vind het de moeite waard om eraan te klussen. Ik denk dat het wel aardig gaat; ik heb ook andere mensen gezien die dit voor elkaar hebben gekregen. Maar verdomme, je moet in het leven wel telkens schakelen. Het houdt nooit op. Heb je net een mooi huwelijk opgebouwd, moet je daar weer afscheid van nemen.

„Hoe beter het leven is, hoe meer je lijdt als het afloopt. Ik heb mezelf altijd voorgehouden dat je van het bestaan moet genieten, en net nu dat zo’n beetje lukt, houdt het op. Nu moet ik mijzelf weer leren om niet te genieten en de lol van het leven te relativeren. Zo bekeken kun je misschien beter een rothuwelijk sluiten. Als je dan doodgaat, zal het iedereen verder worst wezen. Dat zijn van die rare paradoxen.”

Houd je op van het leven te genieten?

„Ja en nee. In een ambitieuze levensfase ben je per definitie nooit helemaal tevreden met de situatie zoals die is en altijd bezig met iets dat nog tot stand gebracht moet worden. Dat geeft die neurotische spanning: van wat je hebt, is al afscheid genomen en wat je wil, is er nog niet.”

Het eeuwige streven.

„Ja, maar in mijn situatie moet ik daar nu echt mee ophouden. Ik heb mijn hele leven geleerd om dit drukke bestaan vol te houden, zelfs zonder een burn-out te krijgen. Maar op het moment dat je hoort dat je doodgaat, moet je onmiddellijk stoppen met dat drukke bestaan. Ik moet natuurlijk niet de pretentie hebben dat ik nog snel mijn verzameld werk ga schrijven. Jezus, ik heb weken, misschien nog maanden. Nu nog snel een hoofdwerk nastreven is een recipe for disaster. Mijn precaire situatie is: nergens meer naar streven en toch niet stilvallen.”

Hoe krijg je dat voor elkaar?

„We hebben de neiging ons te richten op het individu dat doodgaat, maar ik zou het willen omdraaien. Wat als we kijken naar de mensheid? Naar het grote geheel? Dan is de zorg die je draagt en wat je doorgeeft aan anderen veel constructiever dan wanneer je je richt op het feit dat er telkens mensen verdwijnen. Dat laatste, die tragiek, is er altijd.”

Maar het is wel je eigen tragiek.

„Ja. Je kunt je afvragen waarom ik überhaupt graag nog meer had willen publiceren. Maar het geschreven woord heeft ook een belangrijke waarde. Tekst is toch een manier om inzicht en kennis op te slaan.”

Wie schrijft, die blijft?

„Het is eerder: wat geschreven is, heeft een kans om te blijven. Niet alles wat is vastgelegd, wordt ook opnieuw gebruikt. Maar de boeken van Aristoteles lezen we nu nog. Daarmee houd je dus, door de eeuwen heen, een dialoog over bepaalde thema’s levend. Misschien zou je moeten zeggen: alle schriftcultuur komt voort uit het gesprek, maar het is niets als het niet ooit opnieuw in een gesprek wordt gebruikt. Daarom spreek ik bij DWDD over Aristoteles. Hij zou een dode letter zijn als ik dat niet zou doen.”

Wil je iets van Aristoteles citeren?

„Graag. Hij zou gezegd hebben: ‘De schoonheid van het karakter straalt als iemand onvermoeibaar de ene tegenslag na de andere incasseert, niet omdat hij ze niet voelt, maar omdat het iemand is met een onverwoestbaar goed humeur.’” <<