Column

Twee gele doekjes

Via een briefje op de ruit van het buurtsupertje – ‘Schoonmaak? Goede poets’ – kwamen we aan een werkster. Een Mongoolse, of eigenlijk een Mongooltje want ze reikte niet hoger dan mijn heup. Voor de duidelijkheid: iemand uit het land Mongolië dus, geen persoon met het syndroom van Down. Was het maar iemand met het syndroom van Down geweest, dacht ik weleens, dan zou de communicatie vlotter zijn verlopen.

Er had nog nooit iemand voor me gewerkt en ik had daar best verheven ideeën over. Omdat ik er op de vrijdagen alleen voor sta had ik me op Wikipedia ingelezen over Mongolië. De bevolking daar bestond voor het grootste deel uit nomaden die in vilten tenten – ‘joerts’ – woonden en de hoofdstad droeg de schitterende naam Ulaanbaatar.

De vriendin, die de intake had verzorgd, had me al gewaarschuwd dat ik er qua communicatie weinig van hoefde te verwachten. Een understatement, er was nul communicatie. Zelfs op het woord ‘Ulaanbaatar’ sloeg ze niet aan.

Nadat ze een paar minuten zwijgend naast me had gestaan stortte ze zich plotseling op het keukenkastje met de schoonmaakspullen. Binnen mum van tijd zat ze met een emmer sop achter de bank. Toen ze klaar was ging ze met uitgestrekte hand voor me staan. Ik drukte haar de afgesproken 37,50 euro in de hand, waarna we een paar keer vriendelijk naar elkaar knikten.

Een paar weken geleden, ik trok me als ze kwam inmiddels terug in de werkkamer op de bovenverdieping, stond ze plotseling naast mijn bureau met twee gele poetsdoekjes in haar hand. Geen idee wat ze bedoelde.

Ja, twee gele doekjes.

Lapjes vies?

Andere doekjes nodig?

Ze zwaaide met de doekjes richting de trap.

Daar ook schoonmaken?

Op een gegeven moment stak ik mijn duim maar omhoog.

Toen ik naar het toilet moest, ook iets wat je liever niet doet met een schoonmaakster in huis, stapte ik excuses mompelend over haar heen om me vervolgens beneden kapot te schrikken omdat ze daar weer zat, wat natuurlijk helemaal niet kon.

De identieke kopie bleek een tweelingzus die voortaan meekwam, waardoor ik op de vrijdagen opeens met een verdubbeld communicatieprobleem zit. Als twee kleine torren banen ze zich wekelijks ernstig wrijvend over de vloer een weg richting mijn werkplek om uiteindelijk te stoppen bij mijn voeten onder het bureau. Ik heb in alle talen gezegd dat dat niet hoeft, maar daarna gingen ze er gewoon mee door.

Vandaag heb ik me voor het eerst ingesloten, ik hoor ze lachen en fluisteren in dat vreemde taaltje aan de andere kant van de deur.