Leenstelsel haalt veel overhoop en waait lucht

Rijdt u ook zo graag door dat prachtige stukje tunnel onder de weilanden tussen Leiderdorp en Hazerswoude? Het was een compromis tussen PvdA en de VVD om de hoge snelheidstrein van Schiphol naar Antwerpen mogelijk te maken. Het malle kunstwerk kostte bijna een miljard euro maar redde het kabinet-Kok I.

Deze week werd een wetsontwerp ingediend waarin ook een miljard omgaat, per jaar. Het dient ook een goed doel, misschien wel twee, er is politiek net zo eindeloos over touwgetrokken en het is net zo’n windtunnel. Het gaat om het nieuwe leenstelsel, officieel de Wet studievoorschot hoger onderwijs.

Jet Bussemaker geldt als een daadkrachtig bewindspersoon. Zij heeft toch maar een meerderheid in de Tweede Kamer gevonden voor een nieuwe manier waarop studenten in het hoger onderwijs aan hun eigen toekomst mogen meebetalen. Hun onderwijs wordt doelmatiger, de financiering rechtvaardiger én een groot deel van het bespaarde geld wordt teruggeploegd in de kwaliteit van het onderwijs.

De minister diende deze week het wetsontwerp in dat al dit moois vastlegt. O ja, studenten maken meer schulden maar zij mogen tot vlak voor hun pensioen afbetalen. Als douceurtje houden zij hun gratis ov-kaart en krijgen zij instemmingsrecht over de hoofdlijnen van de begroting van hun hogeschool of universiteit. Wat er moet gebeuren als zij het niet eens worden, is zeer onoverzichtelijk.

De coalitie heeft voldoende stemmen om dit stelsel van studiefinanciering door de Tweede Kamer te loodsen. In de Eerste Kamer zal Bussemaker ook de gunst van meer of minder bevriende oppositiepartijen moeten winnen. Dat zal de nodige overredingskracht vragen. De ballon is nogal lek geprikt deze week.

Tegelijk met het wetsontwerp werd het advies van de Raad van State gepubliceerd. Dat was ongebruikelijk streng en in wezen vernietigend op verschillende fronten. De minister wuift de bezwaren op de gebruikelijke manier weg met een paar kantjes beleidsappelmoes. Maar het zou verbazen als de Eerste Kamer daar genoegen mee nam.

De rechtszekerheid van al studerende studenten wordt geschonden, constateert de Raad. De toegankelijkheid van het hoger onderwijs wordt op het spel gezet. De financiering wordt deels gebaseerd op vaag gedefinieerde criteria.

De Raad schrijft tussen de regels door ook nog dat de koning is gevraagd in de Troonrede een leugentje van een paar honderd miljoen uit te spreken: er wordt niet jaarlijks 1 miljard gewonnen die ten goede kan komen aan de kwaliteit van het gebodene aan universiteiten en hogescholen – het zal hoogstens oplopen tot 600 à 800 miljoen per jaar. Dat wist het ministerie maar zo’n rond bedrag staat stoer. Net als de ‘trendbreuk’ in de defensiebezuinigingen.

Maar dat is niet het ergste. Het grootste bezwaar van de Raad van State richt zich op de twee motieven voor de ingrijpende wetswijziging. De minister houdt in haar toelichting een heel nobel verhaal over het profijt dat afgestudeerden later hebben van hun studie; mogen zij best wat meer voor betalen. Dat klinkt redelijk maar de Raad schrijft dat het maatschappelijk rendement van die studie niet is verminderd, en het profijt van de afgestudeerde niet is toegenomen.

Het centrale verwijt betreft de beloofde kwaliteitsslag. De Memorie van Toelichting wordt bijna lyrisch als het gaat om kwaliteitsimpulsen en roeit dwars door een lopend experiment met prestatiebekostiging heen met de overtuiging dat kwaliteitsbekostiging het nieuwe paradijs van internationale erkenning dichterbij zal brengen. Alles wordt top, wereldniveau, kwaliteitsafspraken, 21st century skills, kwaliteitsagenda, het goud kan ons niet meer ontgaan.

Alleen, niemand kan kwaliteit definiëren. Alle Shanghai-rankings ten spijt, is kwaliteit een begrip dat voor iedere docent en student iets anders inhoudt. Inspiratie, overdracht van kennis én inzicht, lateraal denken, praktische nieuwsgierigheid, het zijn de essentiële wonderen van hoger onderwijs en onderzoek. Geprogrammeerde creativiteit is een illusie.

Instellingen van hoger onderwijs maken nu al afspraken met de minister. Zij krijgen meer geld als zij grotere aantallen studenten door de foie gras-molen persen. Maar kwaliteit? Stel maar een vast wat dat is, en ga vervolgens na wat de effecten en resultaten zijn van het ingezette kwaliteitsbeleid. En baseer daar de financiering van hele instellingen van hoger onderwijs op. De Raad van State stelt de vraag of de essentiële minimumbekostiging van universiteiten en hogescholen bij het voorgestelde systeem wel verzekerd is.

Wat zich aftekent is een door het huidige hoogtij van individuele - en instellingsprestaties gedreven competitie om de schaarse academische miljoenen, waarbij de fictie van meetbaarheid wordt aangevuld met een fikse scheut public relations. Wie de beste lobbyist in Den Haag heeft en het tofste profiel voor zijn universiteit heeft bedacht, wint de begrotingstombola.

Een scenario dreigt dat vergelijkbaar is met dat van het extra geld voor leraren. Die toezegging leidde tot gejuich in de Kamer. Intussen blijkt het ministerie niet te kunnen achterhalen wat er met het geld is gebeurd. En het ergst: het interesseert de Kamer niet meer. Geen hond die er naar kraait. Punt gescoord.

Moeten honderdduizenden tot hun 55ste een lening van 25.000 euro gaan aflossen, mét rente? Voor een portie goede bedoelingen?