Ik zal haast zo ruig als Esau zijn

De zeventiende en achttiende eeuw zijn goed te typeren vanuit ‘vieze liedjes’, die fraaie inkijkjes geven in fantasie en werkelijkheid van mannen en vrouwen.

Iedere samenleving denkt het erotische leven zelf te hebben uitgevonden, maar onze voorouders smaakte de lust net als ons. Zo ook in onze Republiek. Volgens Annemieke Houben, die in Vieze Liedjes uit de 17de en 18de eeuw een kleine honderd ‘schuine, schunnige’ liedjes bijeenbracht, is de erotische cultuur uit die tijd tot nu toe te weinig aan bod gekomen, terwijl de liedjes vol schunnigheden de mores en taboes uit die tijd juist mooi tonen.

Er verschijnt dan een vrije(re) wereld vol lust, waarin het wemelt van vrouwen die vreemdgaan, met kattenstaarten spelen of zich door hondjes laten likken. Of ze bejubelen de ‘boegspriet, radijs, klisteerspuit’ van hun vriend en laten zich voor hun genot ‘klisteren’ (een klysma geven). Impotente partners worden uitgefoeterd, hun schaamhaarcoiffures worden bijgewerkt of ze maken zich juist zorgen over hun woeste bos. Met een verwijzing naar de bijbelse buitenman: ‘Ik zal haast zo ruig als Esau zijn’.

Ondertussen bespieden de mannen plassende vrouwen, geven ze hun geld uit aan de hoeren, versieren ze piepjonge meisjes of overweldigen ze dronken kermisgangsters (date rape avant la lettre). Om nog maar te zwijgen van de hoeren met welluidende namen als Manke Meu, Pokken-Robus en mevrouw Tietje. Zij riepen hun collega’s tijdens het diplomatieke circus rond de Vrede van Utrecht (1713) op om naar Utrecht te komen, want daar ligt het geld op straat. Ook wie een soa heeft, is welkom: „als je er een stukje stof voor hangt, hebben mannen dat aanvankelijk toch niet door”. „Bent gij bezet met pokken/of twee-, driemaal uitgebrand [behandeld voor syfilis]? ’t Bedekt men met de rokken.”

Vogelaar

Hoewel realisme en ongekunsteldheid de boventoon voeren, blijkt dat de liedjes stevig geworteld zijn in narratieve en culturele tradities. Men neme een visser/vogelaar/jager/wandelaar die een boerin/herderin/melkmeisje/turftrapster tegenkomt. Zij nodigt hem uit om te vissen in haar vijvertje/vogelen op haar veld/jagen in haar bosje. De man presteert bij voorkeur drie keer achtereen met zijn hengel/uiltje/geweer waarna het gelegenheidspaar tevreden afscheid neemt van elkaar. Ook dat is vaak conventie, want zo gemoedelijk gaat het er niet altijd aan toe.

Vooral voor meisjes/vrouwen is het spitsroeden lopen. Zijn ze te kieskeurig, dan worden ze vanwege hun arrogantie versmaad of botweg overmeesterd. Verliezen ze hun ‘eer’ te snel, dan verdwijnt hun kans op een man. Interesse in erotiek zorgt bij vrouwen voor strenge vermaningen, soms zelfs van hogerhand. In een tekst uit 1620 over een vrolijk meisje dat al dansend onkuise liedjes zingt, veegt een goddelijke wind het meisje van de aarde. Hoog in de lucht wordt ze door demonen met zwepen genadeloos afgeranseld. De omstanders horen haar kermen, maar de demonen kennen geen genade: na enige tijd wordt haar lichaam onherkenbaar verminkt terug op de aarde gekwakt.

Er zijn meer fraaie inkijkjes in de belevingswereld uit die tijd, waarbij bijvoorbeeld de ‘wanschapen man’ erg geestig is („mijn bruidegom die heeft twee neuzen/ en zie, daar hangt een brilzak bij!”). Bijzonder is de door Houben aangehaalde arts Venette, die zich mild uitlaat over vrouwen die hun maagdelijkheid hebben verloren en ze tips geeft om die te veinzen (schapenbloed in vagina, samentrekkende kruiden). Ook krijg je – hoewel in het openbaar gezongen – meer zicht op taboes: verkrachting en homoseksualiteit. Het liedje ‘de gehoornde ezel’ bezingt monter de gelijkgeslachtelijke gemeenschap, terwijl in werkelijkheid over homoseksueel verkeer gezwegen werd als het graf; op het bedrijven ervan stond vaak de doodstraf.

Of neem de ‘hoerenduivel’: „Hij zet meiden aan tot allerlei onkuisheden met mannen, vooral met de heer des huizes en diens zonen.” Dat zal toch vaak andersom geweest zijn. Zo heeft Houben haar bedenkingen bij het immer vrolijk bezongen boerenleven. Syfilis komt ook aan bod: „’t Heugt u wel hoe ik door dit mallen [stoeien] en door deze haren strop van de trappen was gevallen in het gasthuis van Sint Job [besmet werd met syfilis].” Doodde de syfilis je niet, dan deden de ‘pokkenmeesters’ het wel met hun gevaarlijke zwaveldampkuren, kwikzalven en uitbrandsessies. Zo liggen er op een dag twee lijken in de tuin van een pokmeester; „de man had een hoofd als een opgeblazen kalf en dat van de vrouw deed […] denken aan de kop van een gewurgd schaap” – gestorven tijdens de behandeling. Ach, wij arme mensen die alleen maar wat wilden vogelen, jagen, kersjes plukken, melk karnen, tobbeschrobben…

Houben toont de mores en de officiële moraal, ze helpt een wereld te ontsluiten die groter is dan die van de liedjes alleen. Hun lichte, prikkelende toon krijgt een verbinding met een gistende, kolkende werkelijkheid vol echte, levende mensen. Het is smullen van omschrijvingen (als: „’t Ligt in het bont, heel vermomd, altijd warm, nimmer koud, als een lekkere schapenbout”), maar de uitgever had best meer mogen inzetten op de wereld die Houben neerzet in plaats van alleen te focussen op het ‘vieze’ van de liedjes.