Hoe de lobbywereld zijn ‘prutsers en slechteriken’ ongemoeid laat

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week: intern advies over het verval van Haagse lobbyisten.

Ofwel: de trucs waarmee lobbyisten commerciële belangen verhullen.

Tekst: Tom-Jan Meeus Illustratie: Ruben L. Oppenheimer

Een bekentenis: ik praat graag met lobbyisten. Goede lobbyisten volgen de politiek van nabij maar blijven buitenstaander: zij zien dingen van politici die politici allang niet meer van zichzelf zien.

Zoals bekend heb je nog altijd mensen die ‘tegen’ lobbyisten zijn. Je kunt ook tegen het internet zijn, of benzinepompen. Maar de professie groeit zo snel, ook in Den Haag, dat de beroepsvereniging van lobbyisten, de Bvpa, al ruim zeshonderd leden telt.

Dat leest u goed: Nederland heeft nu dus viermaal zoveel lobbyisten als Tweede Kamerleden.

En omdat Kamer en kabinet deze week aan de begrotingsdebatten begonnen – de komende maanden behandelen ze meestal twee ministeries per week – merk je in de wandelgangen dat een bepaald type lobbyisten kansen ruikt.

Wat dat betreft is dit een paradoxale periode: we horen over de turbulente wereldpolitiek die zich aan Nederland opdringt, maar die creëert vooral kalmte in Den Haag. Natuurlijk – F16’s naar Irak sturen is geen spanningloos detail: dat zag je woensdag aan de lichaamstaal van Asscher en Hennis. Maar het binnenlandspolitieke debat erover is lauw: de Kamer is tot en met GroenLinks voor.

Dus lobbyisten die vooruitkijken naar de komende maanden van kalmte, zien grote agendabepalende mogelijkheden opdoemen.

Begrotingsdebatten duren meestal twee dagen. En de lobbyist die zo vaardig is even tevoren een gevoelig thema op het beleidsterrein van het betreffende ministerie te pluggen, heeft de mogelijkheid alle publiciteit over dat debat weg te kapen. De politieke agenda is van niemand meer. En dus van iedereen.

Dit is een van de grootste frustraties van ambtenaren en bewindslieden aan het worden. In de ‘politiek van de aandacht’, zoals bestuurskundigen dit noemen, kan je met één extern publicitair stuntje diepgaande beleidsdebatten over een begroting wegvagen – omdat Kamerleden hun bijdrage bijna altijd op dit laatste stuntje toespitsen.

Dit verklaart ook de opkomst van een bepaald soort lobbyisten, vertelde Arco Timmermans (50) me dinsdag toen ik hem opzocht op de Universiteit Leiden, campus Den Haag. Timmermans, een kalme bestuurskundige die al jaren bestudeert hoe de ‘politiek van de aandacht’ werkt, houdt maandag zijn oratie als bijzonder hoogleraar Public Affairs. Zijn leerstoel wordt betaald door de Bvpa.

Volgens hem is de belangrijkste ontwikkeling dat de machtigste lobbyisten – grote bedrijven, banken, werkgeversorganisaties – hun invloed in gevaar zien komen. Zij spelen, heel klassiek, een inside game. Zij bewerken ambtenaren en politici vroegtijdig en in beslotenheid. Zij hangen hun resultaten nooit aan de grote klok uit angst hun effectiviteit te verliezen.

Maar het interessante is, zei Timmermans, dat beoefenaren van de inside game een groeiend risico lopen. Luidruchtige lobbyisten, belangenbehartigers die alles over de band van publieksbeïnvloeding spelen, weten de politieke agenda steeds gemakkelijker naar hun hand te zetten. De politiek van de aandacht wint het van de politiek van discretie en expertise – met emotie en kakofonie als bijeffect.

Het heeft ook te maken met debatstijl, vertelde hij. Nederland is „een standpuntenwereld” geworden. „Standpunten zijn hier belangrijker dan de onderbouwing ervan: zo worden halve waarheden hier gemakkelijk onderdeel van het debat.”

Het is de moderne paradox van het lobbyen. Omdat lobbyisten, zeker traditionele lobbyisten, minder greep op het debat hebben, zei Timmermans, „creëert dat ook dat bedrijven en instellingen goed lobbyen steeds belangrijker vinden”.

Ziedaar de logica achter de aanhoudende groei van het aantal lobbyisten: de kans op lobbysucces krimpt, terwijl de noodzaak van lobbysucces groeit. Een gegarandeerde groeimarkt.

Nu heeft dit ook zijn weerslag op politieke cultuur. Timmermans zei dat hij vooral voordelen zag: hoe meer stemmen in het debat, hoe hoger de kwaliteit van de democratie. Voor de nadelen had hij minder oog, merkte ik.

Ze zijn in de VS helder gebleken. Sinds de ontembare groei van de lobbymarkt kwamen daar pijnlijke corruptiegevallen aan het licht. Tegelijk werden politicus en lobbyist inwisselbare beroepen die zich specialiseerden in deelbelangen, zodat het algemeen belang uit beeld verdween. Met een bijna onregeerbaar land als resultaat.

Het toeval wilde dat ik woensdagmiddag in de Kamer Rinus van Schendelen tegen het lijf liep. Ooit de eerste ‘lobbyprof’ van het land, nu met emiraat maar nog altijd werkzaam als adviseur. Altijd een type geweest dat graag tegen de gangbare opinie ingaat. Toen lobbyen nog verdacht was, verdedigde hij het beroep. Nu lobbyen bijna onomstreden is, vindt hij het de hoogste tijd voor de noodklok.

Dit was zeker niet alleen een pose, merkte ik. Door de groei van het aantal lobbyisten „zie ik steeds meer prutserigheid. Het ergert me enórm”, zei hij. Hij vertrouwde me toe dat hij vorig jaar ongevraagd advies aan beroepsvereniging Bvpa stuurde, gealarmeerd getoonzet, met de aanbeveling in te grijpen. Hij mailde het me door.

Het stuk, van maart vorig jaar, constateerde dat Bvpa-leden zich onbekommerd lobbyist kunnen noemen zonder dat enige ‘bekwaamheidseis’ wordt gesteld. „Alles is vrijblijvend, met veel wildgroei.” Lobbyisten zijn dus, schreef hij, zoals „partijpolitici, mantelzorgers en tweedehandautohandelaren”: hun visitekaartje zegt niets over hun eigenlijke werk.

En nu de facto iedereen lobbyist kan worden, schreef Van Schendelen, ontstaat „beunhazerij” en zullen „velen dommigheden en, in mindere mate (want daarvoor zijn hersens nodig) slechtigheden uithalen”. Hij signaleert nu al hoe lobbyisten „incidenteel” in opspraak komen. Vandaar het advies zo snel mogelijk vakbekwaamheidseisen voor leden in te stellen en die onafhankelijk te laten toetsen. „Doen wij niets, dan krijgen wij allen de fall-out„, aldus het advies.

Het bestuur is niet van kwade wil en heeft van alles in werking gesteld, benadrukte Van Schendelen een keer of drie. Maar die kwaliteitseisen en onafhankelijke toezichthouders komen er voorlopig niet. „Ze willen geen leden afstoten”, dacht hij.

De Bvpa-voorzitter, Marcel Halma, een oud-diplomaat die nu lobbyt voor Akzo Nobel, hield het hoffelijk. De vereniging begreep de risico’s van alle groei maar al te goed. Er is een (ethische) gedragscode waaraan leden moeten voldoen, een werkgroep bekijkt hoe de kwaliteit beter kan, en met de instelling van de leerstoel van Arco Timmermans beoogt men het debat over het beroep aan te scherpen. Maar kwaliteitseisen voor leden – zodat het aantal erkende lobbyisten zal krimpen? „Dat is iets voor de langere termijn.”

Maar Van Schendelen zei: dit kan niet meer wachten. Vorig jaar liep een lobbyist tegen de lamp toen verborgen camera’s van de Vara registreerden hoe hij een bedrijf adviseerde zijn commerciële belangen te verhullen: een stichting oprichten en zo tegen Kamerleden suggereren dat je een ideëel doel hebt. De lobbyistenvereniging oordeelde dat deze vakgenoot „niet ethisch” had gehandeld.

Maar het punt is, vertelde Van Schendelen, dat deze praktijk allang schering en inslag is in de lobbywereld. Hij had er diverse malen bijgezeten, zei hij, dat bedrijven om gelijksoortige redenen een stichting vormden om zo de ware identiteit van hun lobby te verhullen. „Dat is echt niet bij één geval gebleven, en daar zijn vele mensen van de op de hoogte”, zei Van Schendelen.

Iets soortgelijks heb je laatste tijd met crowdfunding, zei hij. Suggereren dat je voor een bepaald doel vele kleine donateurs hebt geworven, terwijl „het gewoon om bedrijven of instellingen gaat die hun giften opknippen om steun van het grote publiek te suggereren”.

Vandaar dat Rinus van Schendelen, de man die anderen zo graag tegensprak, aan bleef dringen op spoed om de kwaliteit van lobbyend streng tegen het licht te houden.

En hij benadrukte: ik ben niet tegen de groei van het lobbyen – juist niet. Ik ben niet negatief over de beroepsvereniging. Ik verwacht veel goeds van Arco Timmermans. Maar hij wist ook: als de beroepsvereniging niet snel regelt dat „de prutsers en slechteriken”, zoals hij ze noemde, hun beroepstitel van lobbyist wordt afgepakt, zal daar de hele beroepsgroep binnenkort onder lijden. „Het wachten is op ‘het overlopen van de emmer’ die massamedia graag bijvullen”, dacht hij.