Dus je wilt het uitmaken?

Elke week staat hier een fictieverhaal. Deze week: een exclusieve voorpublicatie uit Not That Kind of Girl, het debuut van Girls-ster Lena Dunham.

‘Ik geloof niet dat dit gaat werken,’ zegt hij. ‘Volgens mij kunnen we beter gewoon vrienden zijn.’ Ik ben twaalf en de kerstvakantie is net voorbij. Tijdens ons laatste afspraakje hebben we een paar uur hand in hand over straat gelopen voor we bij de Häagen-Dasz naar binnen gingen om op mijn moeder te wachten die me zou komen ophalen. Ik weet dat ik hem leuk vind, omdat ik er niet van over mijn nek ging toen er bessenpitjes tussen zijn tanden waren blijven zitten na een bosvruchtensmoothie. De woensdag erop zou het zes maanden aan zijn.

‘Oké,’ piep ik, en vervolgens stort ik me in de armen van Maggie Fields in haar blauwe bontjas. Ze ruikt naar suikerspin en vindt het heel erg voor me. Ze neemt me mee naar de meisjes-wc op de elfde verdieping en aait me over mijn hoofd. Hij was mijn eerste vriendje en ik weet zeker dat ik nooit meer een ander zal krijgen. Maggie heeft er al drie gehad, die alle drie tegenvielen.

‘Wat een lul!’ zegt ze. ‘Hoe gaan we het hem betaald zetten?’ Alleen als ze boos is, hoor je dat ze uit Brooklyn komt. Ik voel me al een stuk minder ongelukkig.

‘Ik kan dit niet meer,’ zeg ik, en ik zak als een zielig hoopje tegen het zijraampje.

Hij zit achter het stuur van zijn groene jeep en probeert te begrijpen wat het probleem is, terwijl ik huil achter de glazen van mijn zonnebril. Zwijgend parkeren we en hij neemt me mee naar zijn flat alsof ik een klein kind ben dat stout is geweest. We doen de deur achter ons dicht, hij geeft me water in een jampotje en zegt dat ik de enige in de wereld ben voor wie hij ooit iets heeft gevoeld. Hij zegt dat hij weet dat ik dat ook zo voel en voor het eerst sinds ik hem ken vertoont zijn gezicht sporen van emotie.

Uiteindelijk, na nog drie pogingen om het uit te maken – op het strand, via de telefoon, via de mail – zit ik met mijn vriendin Merritt op een terrasje in Park Slope. Het is eigenlijk iets te koud om buiten te zijn. We hebben onze zonnebrillen op en kruipen weg in onze hoodies. Ik zit te treuzelen met mijn pannenkoekjes, als zij eenvoudigweg zegt: ‘Je mag best van mening veranderen.’ Over een gevoel, een persoon, een belofte van liefde. Ik hoef niet bij hem te blijven, alleen omdat ik mezelf anders zou tegenspreken. Ik hoef niet te kijken hoe hij huilt.

En dus neem ik de telefoon niet meer op, stop met toestemming vragen en binnen de kortste keren is hij verleden tijd, als huisarrest tijdens de kerstvakantie of iets anders vreselijks waarvan je dacht dat er geen einde aan zou komen.

‘Tegen de tijd dat je net zo oud bent als ik, zul je ook weten hoe onverklaarbaar dit allemaal is,’ zegt hij.

Hij heeft het over de liefde en hij is maar acht jaar ouder dan ik. Ik had het kunnen weten. Het ging bijna te goed, onze oost-westkustrelatie. Hij belde me elke ochtend op weg naar het strand als hij ging surfen. Ik beschreef het uitzicht door het raam van mijn nieuwe appartement: sneeuw die in de tuin van de buren viel, de buurkatten die op de brandladders zaten te mauwen. Ik wist soms niet goed meer hoe hij eruitzag en dus werden mijn voeten – bloot en wit en tegen de muur gedrukt terwijl we urenlang praatten – het beeld dat zijn naam bij me opriep. ‘Ik wou dat je hier was,’ zei hij. ‘Ik zou je op een ijsje trakteren en je de golven laten zien.’

Ik knikte. ‘Dat zou fijn zijn.’ Of eigenlijk zou het fijn zijn als dat me fijn zou lijken.

Nu ben ik op zijn verjaardagsfeest en val ik uit de toon in de zwarte jurk van mijn moeder en met mijn rode hoofd, vettige vlecht en hoge hakken die wegzakken in de grond van de tuin van zijn vriend Wayne. Het meisje dat voor dj speelt heeft elf knotjes in haar haar en hij staat bij de hottub te praten met een ander meisje in een jumpsuit en ik begrijp beter dan wat ook dat mijn komst niet heeft gebracht wat hij ervan had verwacht. Misschien had hij die wel helemaal niet meer verwacht. De volgende dag neemt hij me mee voor een ritje langs de kust dat romantisch bedoeld is, maar voelt als een gijzeling. Als we in de rij staan voor vistaco’s hoop ik tegen beter weten in dat niemand hem hoort praten – en dat het mij niet wordt aangerekend als dat wel het geval is. Ik wil niets liever dan alleen zijn.

Ik ga naar huis en kan me voor het eerst sinds maanden weer ontspannen nu dit hoofdstuk is afgesloten. Begeerte is tenslotte de vijand van tevredenheid. Vanuit bad bel ik Audrey. ‘Het ging niet meer,’ zeg ik tegen haar. ‘Volgens mij wilde hij alleen maar een mollige vriendin om interessant over te komen.’ Later komen we erachter dat hij tegelijkertijd ook iets had met een actrice van de tv-serie West Wing die hij een cactus heeft gegeven.

Audrey schiet in de lach. ‘Wat een sukkel. Hij mocht in zijn handjes wrijven met jou, maar hij is te stom om dat ooit te beseffen.’

‘Ik hou nog steeds van je,’ zegt hij, ‘maar ik moet alleen verder.’

‘Dus je wilt het uitmaken?’ vraag ik met trillende stem.

‘Ik geloof het wel,’ zegt hij. Ik zijg ineen, als een vrouw uit de twaalfde eeuw die flauwvalt bij een ophanging op het dorpsplein.

Later komt mijn moeder thuis van een feestje en treft mij in catatonische staat op bed aan, omringd door foto’s van hem en mij en met de wanten die hij me met Kerst had gegeven onder mijn wang gevouwen. Ik ben verlamd door wat voelt als verdriet, maar wat ik later diagnosticeer als schaamte. Ze vertelt me dat dit een prima excuus is om even tijd voor mezelf te nemen, lekker te huilen en me vol te proppen met veel koolhydraten en gesmolten kaas.

‘Je zult merken,’ zegt ze, ‘dat een gebroken hart zo zijn voordelen heeft.’ Die uitspraak zal ik de jaren daarna nog vaak gebruiken en cadeau doen aan iedereen die hem nodig heeft.