Die Duitse bloei is maar schijn

Het lijkt alsof het Duitsland voor de wind gaat, maar volgens de invloedrijke econoom lijkt dat maar zo. „De andere Europese landen doen het nog veel slechter”.

Marcel Fratzscher: „Duitsland zou met gemak kunnen investeren in de economie.” Foto Hollandse Hoogte

Aan de muur van de ruime werkkamer van Marcel Fratzscher (43) in het centrum van Berlijn hangt een cartoon uit de crisisjaren van de vorige eeuw over de varkenscyclus. Dat welbekende economische begrip over schommelingen in vraag en aanbod werd in 1927 voor het eerst beschreven door een econoom van dit instituut, het Deutsche Institut für Wirtschaftsforschung (DIW).

Fratzscher is sinds anderhalf jaar hoofd van deze denktank, een van de grootste van Duitsland. En hij geldt als een fenomeen. De Frankfurter Allgemeine Zeitung plaatste hem uit het niets op de tweede plaats op de ranglijst van invloedrijkste economen. Vice-bondskanselier Sigmar Gabriel (SPD) benoemde Fratzscher onlangs tot voorzitter van het onafhankelijk comité van economische experts dat de regering adviseert. „Ho, ho”, zegt Fratzscher, terwijl hij een raam openzet. „Dit is wel even van belang: ik ben dus niet een adviseur van minister Gabriel, zoals de FAZ heeft geschreven. Ik ben partijloos en onafhankelijk en het DIW is dat ook.”

Fratzscher levert in ieder geval gefundeerde kritiek op de kern van het economische beleid van bondskanselier Angela Merkel (CDU). Ook in zijn boek dat maandag verschijnt, Die Deutschland-Illusion. Warum wir unsere Wirtschaft überschatzen und Europa brauchen (De Duitsland-illusie. Waarom we onze economie overschattenen en Europa nodig hebben). Fratzscher noemt de heersende zelfgenoegzaamheid in Duitsland over de prestaties van de Duitse economie ‘misplaatst’ en ‘gevaarlijk’. Het tweede Wirtschaftswunder dat veel Duitsers nu denken mee te maken, is volgens hem een fata morgana. En overal zeggen mensen hem ineens na dat Duitsland moet investeren. Investeren in onderwijs, en in de infrastructuur. De slogan van Fratzscher, ‘Duitsland leeft van eerder behaalde resultaten’, wordt overgenomen door politici. Zelfs Merkel zei dat vorige week in een toespraak. Met een kleine slag om de arm. Maar toch.

U moet een gelukkig man zijn nu de politiek uw visie overneemt.

„Politici lijken inderdaad langzaam van koers te veranderen. Ook al ben ik er nog niet helemaal van overtuigd dat ze dat echt gaan doen. Tot nu toe heeft deze regering zich alleen beziggehouden met het opmaken van onze welvaart: vroegpensioen, extra pensioenen voor oudere moeders, minimumloon. Allemaal uitgaande van de gedachte dat een taart die zo groot is, moet worden verdeeld.

„De vraag hoe we ervoor zorgen dat we in de toekomst ook nog taart hebben, is totaal naar de achtergrond geraakt. Daar maak ik me zorgen over. Ik ben blij voor iedereen die een meevaller krijgt. Maar als consumenten op korte termijn iets meer te besteden hebben, leidt dat niet automatisch tot economische groei en dus, uiteindelijk, tot meer welvaart.

„Het geld wordt in feite voor eens en voor altijd uitgegeven. De extra pensioenkosten, als gevolg van onder meer het vroegpensioen, bedragen tot 2030 200 miljard euro. Dat geld had je beter kunnen investeren in onderwijs en infrastructuur, zaken die op langere termijn echt welvaart creëren.”

U beschrijft de paradox van het superrijke Duitsland, dat echter voor veel Duitsers een lagelonenland is. Is dat de invloed van de globalisering?

„Duitsland heeft in wezen de hoogste welvaartsongelijkheid van Europa. Globalisering is hier niet de doorslaggevende factor. Belangrijk is onze geschiedenis: Oost-Duitsland begon in 1990 vanaf nul. Dat is nog altijd niet ingelopen. En West-Duitsland beleefde dat nulpunt in 1945. Mensen moesten welvaart opbouwen. Daarin is niet iedereen in gelijke mate geslaagd.

„Maar de ongelijke verdeling van welvaart heeft ook te maken met de specifieke structuur van de Duitse economie. Die is sterk afhankelijk van middelgrote familieondernemingen. Als je naar de 300 grootste bedrijven kijkt, zijn er 100 in bezit van families. Dat betekent dat hier heel erg veel welvaart is geconcentreerd in de handen van zeer weinig mensen. In Duitsland is het, net als in Nederland, niet de gewoonte om te koop te lopen met je rijkdom, dus je ziet het bijna niet.

„Ten slotte kampt Duitsland, en dat is volgens mij cruciaal, meer dan andere landen met ongelijke kansen waardoor sociale mobiliteit onvoldoende tot stand komt.”

U schrijft dat aan de universiteiten 70 procent van de studenten afkomstig is uit een academisch milieu en slechts 25 procent uit de arbeiderklasse.

„Ja, maar het begint veel vroeger. Duitsland is met name erg zwak in de allereerste voorschoolse fase: de Kita, ofwel de kinderdagverblijven. Daaraan geeft Duitsland relatief weinig uit, terwijl daar het hoogste rendement per geïnvesteerde euro te halen valt. Want het gaat hier vooral om kinderen uit de sociaal zwakkere milieus voor wie het van het grootste belang is vroegtijdig goed de taal te leren. En te leren over integratie en sociale interactie.

„Maar veel geld wordt in Duitsland besteed aan zogeheten Betreuung, kinderzorgsubsidies, geld dat ouders krijgen die hun kinderen juist niet naar de kinderopvang sturen. Als kinderen die eerste jaren missen, lopen ze een achterstand op die ze nooit meer inhalen. Zo hebben ze minder kansen om later hogerop te komen.

„Het gebrek aan gelijke kansen is een van de grote zwaktes van Duitsland en verklaart voor een zeer belangrijk deel waarom Duitsland achterblijft.”

Niet iedereen is opgetogen over uw kritiek. Raakt uw boek niet aan een taboe in Duitsland?

„Kijk, we waren tien jaar geleden de zieke man van Europa. Nu zijn we wereldkampioen voetbal en we voelen ons geweldig over onze economie. Maar het is net als tussen mensen. Je beoordeelt je eigen positie in relatie tot je buren. Ook al heb je elk jaar 10 procent loonsverhoging, dat voelt toch niet goed als de buurman 13 procent krijgt. En als hij een nieuwe auto, een tv en een ijskast koopt.”

Keeping up with the Joneses.

„Precies, maar als het omgekeerd is en jij bent de enige die weliswaar een klein beetje maar nog steeds vooruit gaat, dan voel je je goed. Dat is de toestand van Duitsland. De jaarlijkse groeipercentages in de laatste vijftien jaar schommelen steeds rond 1 procent. Dat is niet veel. Maar omdat de andere Europese landen het nog veel slechter doen, lijkt het of wij het geweldig doen. Het is gevaarlijk om je daarin te koesteren. Het is arrogant. Want het veroorzaakt te veel zelfverzekerdheid en het maakt mensen lui.”

U bedoelt politici.

„Ja, we hebben sinds 2012 een overschot op de begroting. Landen als Italië en Frankrijk kunnen niet investeren in hun economie omdat ze hun staatsschuld eerst naar beneden moeten brengen. Maar Duitsland zou het met gemak kunnen doen. Dat bedoel ik, als ik zeg dat die te zelfverzekerde houding schadelijk is. Als je denk dat je het goed doet omdat de economie goed loopt, denk je niet aan de toekomst. Het gaat alleen om het nu en hoe je het kunt uitgeven aan een feestje.”

Toch gingen de verkiezingen vorig jaar bijna helemaal over die extra’s. Hoe reageert het kabinet op uw kritiek?

„Als ik praat met politici, krijg ik de indruk dat ze wel weten dat hun keuzen nadelen hebben. Dat geven ze toe. Maar politici blijven politici. Voor hen is het doel niet alleen de juiste economische beslissing te nemen, bijvoorbeeld om groei te maximaliseren. Maar zij kijken ook naar dingen als sociale rechtvaardigheid. Voor mij is alleen relevant of die besluiten schadelijk zijn voor de Duitse concurrentiekracht. Of ze bijdragen aan welvaart en groei op de lange termijn.”

Consumentenvertrouwen is volgens u de motor achter het huidige succes. Is Duitsland weer terug bij af als dat wegvalt?

„Als Duitsland ermee doorgaat om zo weinig te investeren zijn we over tien jaar opnieuw de zieke man van Europa.”

U bent een vurig voorstander van verdergaande Europese integratie. Dat hoor je niet vaak van Duitse economen.

„Veel vakgenoten leven in gedachten nog altijd in de negentiger jaren. Zij lopen twintig jaar achter.

„Het besluit om de euro in te voeren werd destijds genomen om politieke redenen. Het is zeker waar dat bepaalde cruciale economische voorwaarden ontbraken. En dat was inderdaad fout. Maar voor mij is dit sentiment tegen de euro een volledig achterwaarts gericht perspectief. Het is nostalgie. Om te zeggen dat het in het verleden zoveel beter was, is nostalgie van oude mannen.

„Mijn punt is: we leven niet in 1994 maar in 2014 en we hebben de euro. Teruggaan is geen optie. Europese economieën zijn totaal geïntegreerd. De oplossing is, dat we nu moeten doen wat we hebben nagelaten in 1994. We moeten verder met begrotingswetten, wetten over de Europese structuur en bouwen van sterkere Europese instituties.”