Denk eerst eens fundamenteel na over het belastingstelsel

Het Belastingplan, zo heet het initiatief waarmee het kabinet Rutte II zin moet geven aan de tweede helft van zijn termijn. Maar het is voorlopig beter te spreken van een Voornemen tot een Plan. Staatssecretaris Wiebes van Financiën gaf op 16 september de aftrap met de inmiddels vermaarde brief aan de Kamer, die weinig concrete ideeën bevatte. Dat kan deels de bedoeling geweest zijn: het kabinet hoopte, in de loop van de Algemene Beschouwingen van vorige week en de Financiële Beschouwingen van deze week, de nieren te proeven van de oppositie. Een zo breed mogelijk draagvlak is onontbeerlijk voor een belastinghervorming van enige substantie. Al was het maar omdat de kans groot is dat conceptie en besluitvorming dermate lang kunnen duren dat een volgende kabinet er mee door zal moeten gaan.

Het voornemen voor een oplossing is er dus, maar er is intussen weinig consensus over het probleem. De elementen zijn er: arbeid is te duur, en moet milder worden belast. Voor werkgevers, om concurrerend te blijven. En voor werknemers, waarvan koopkracht en consumptie omhoog zouden moeten. De btw, naast belasting op arbeid een steeds belangrijker bron van inkomsten voor het Rijk, kampt met de complexiteit van twee tarieven dat consumenten voor raadsels stelt en bedrijven rompslomp oplevert. De vermogensrendementsheffing, gebaseerd op een rendement van 4 procent dat weinig spaarders en beleggers de laatste zes jaar halen, is unfair. Inkomsten uit vennootschapsbelasting, dividend en andere geldstromen in het grote bedrijfsleven, worden met nieuw uitgedachte constructies of internationale routes ontweken. Het systeem van toeslagen, letterlijk een omgekeerde manier van belastingheffing omdat de Belastingdienst ze uitkeert, is uit de hand gelopen en onvoldoende controleerbaar. Het beleid met milieuvriendelijke vervoersmiddelen is kwetsbaar voor misbruik. En de Belastingdienst is, door organisatorische problemen en automatiseringsperikelen, lang niet zo operationeel als zou kunnen. Dat laatste is overigens een fenomeen dat moeilijk los kan worden gezien van de wispelturigheid waarmee deze dienst sinds 2001 nieuwe, vaak wisselende, taken op het bord geschoven kreeg.

Belastingstelsels hebben hun eigen conjunctuur. Worden ze te complex, dan klinkt de oproep ze simpeler en moderner te maken. Dat leidt tot een diepgaande herziening en vereenvoudiging, die vervolgens in de loop der tijd weer dermate met extra instrumenten en uitzonderingen wordt opgetuigd dat de roep opnieuw klinkt en de cyclus van voren af aan begint.

In deze fase zitten we nu. Maar de discussie over een nieuw belastingstelsel dreigt nu al meteen te beginnen met de details. Over de hoogte van de eerste schijf van de inkomstenbelasting, het al dan niet gelijktrekken van de btw, over varianten op een vlaktaks. Over positief uitruilen (uw wens tegen mijn wens) of negatief uitruilen (uw taboe tegen mijn taboe). Maar zonder fundamenteel debat dreigt vernieuwing zonder concept, zonder voldoende draagvlak. Een resulterend nieuw stelsel is dan kwetsbaar voor nieuw knip- en plakwerk dat de zin van de vernieuwing zelf al snel ondergraaft.

Dit is daarentegen bij uitstek de gelegenheid om fundamenteel na te denken over de rol die de belastingen spelen bij het inrichten van de samenleving. Dat kan gaan over de absolute hoogte van de belastingheffing, en daarmee over het budget van de overheid en de rol van de staat in economie en samenleving. Het kan gaan over de verhouding tussen een rechtvaardige verdeling van welvaart en de prikkels die nodig zijn om zoveel mogelijk mensen aan die welvaart te laten bijdragen. Het kan gaan over de relatieve belasting van arbeid en kapitaal.

Het zijn overwegingen die zo voor de hand liggen dat er makkelijk aan voorbij wordt gegaan. Dat is niet terecht. Een fundamenteel debat maakt ideologische en politieke meningsverschillen duidelijk, voordat op de details wordt ingegaan. De discussie wordt er overzichtelijker van, wederzijds begrip neemt toe en compromissen worden eenvoudiger. Met een kabinet dat de handen goeddeels vrij heeft, een economie en begroting die – voor zover te overzien – tot rust komen en verkiezingen die nog meer dan twee jaar op zich laten wachten, is daar geen beter moment voor dan nu.