‘De winkel is eigenlijk ons kind’

Menno Steen (40) en Muriël Kneepkens (33) runnen samen een tweedehands kledingwinkel in Amsterdam. Ze leven expres zuinig en kunnen rondkomen van 1.000 euro per maand.

Muriël: „We hebben geen hoge huur, hoeven praktisch nooit kleren te kopen en hebben geen dure hobby’s.” Foto David Galjaard

‘Hij is lakser dan ik’

Menno: „We hebben een pact. Ik heb geen ochtendhumeur als zij ’s ochtends koffie voor me maakt.”

Muriël: „Toen ik hem leerde kennen zei hij al dat hij altijd een ochtendhumeur had. Ik had zoiets van: dat doe je maar lekker ergens anders. Maar de koffieafspraak werkt heel goed. Onze huishoudelijke klusjes hebben we ook zo verdeeld dat ik zo weinig mogelijk last heb als Menno ze niet doet. Hij is wat lakser dan ik. Dus ik doe de was, zodat ik altijd schone sokken heb.”

Menno: „Ik maak de kattenbak schoon en zet het vuilnis buiten.”

Muriël: „Meestal stofzuig ik.”

Menno: „Nou ja, ik ook wel. We zijn allebei vegetariër en kunnen allebei lekker koken. Vaak kookt diegene die thuis werkt.”

Muriël: „We hebben er nooit ruzie over.”

Menno: „Hoogstens twee keer per jaar een beetje wrijving, maar een echte ruzie hebben we al twaalf jaar niet. Het is een houding: niets vinden we belangrijk genoeg om ruzie over te maken.”

Muriël: „Soms zijn ruzies goed om de verhoudingen te bepalen, maar die kloppen bij ons.”

Menno: „Bij elk gebiedje hebben we wel uitgemaakt wie leidend is.”

‘Veel verstand van kleding’

Menno: „Tien jaar geleden hoorde ik van een collega dat er een kledingwinkel te koop stond. Toen hebben we tegen elkaar gezegd: waarom zouden we dat zelf niet willen?”

Muriël: „Vanaf mijn vijftiende werk ik al in tweedehands kledingwinkels, dus ik heb veel verstand van kleding. En ik had net een cateringbaan aangenomen die ik verschrikkelijk vond.”

Menno: „Gelijk vanaf het begin ging het samenwerken goed. We staan vrijwel nooit met z’n tweetjes tegelijk in de zaak, maar wisselen dat af. De een staat in de kledingzaak, de ander is thuis bezig met onze online hoedenwinkel. En ik doe de boekhouding. Zij vond dat stom, nou ik ook, maar iemand moest het toch doen.”

Muriël: „Ik heb meer verstand van de kleding. Ik weet exact uit welke tijd het komt en wat voor stof het is. We hebben geen afspraken gemaakt dat we in onze vrije tijd niet over werk praten. Dat is ondoenlijk bij ons, het is zo’n groot onderdeel van ons leven.”

Menno: „Het is juist leuk om over te praten. En het scheelt dat we elkaar goed snappen.”

Muriël: „Soms heb je klanten die ver na sluitingstijd blijven passen. Dan heb je niks aan een partner die thuis ongeduldig op je zit te wachten met eten. Het gaat om je eigen portemonnee, dan blijf je open.”

‘Abonnementen switchen elk jaar’

Muriël: „Ik snap nooit waarom mensen ervoor kiezen om geld over de balk te smijten. Of als ze niet weten hoeveel hun energierekening is. We kunnen nu rondkomen van 1.000 euro per maand.”

Menno: „Wij weten precies hoeveel we per maand kwijt zijn, zien het juist als een uitdaging om zo zuinig mogelijk te leven. Haar telefoon kost 8 euro per maand, de mijne 10 euro. Ik ben altijd bezig om op internet te zoeken naar een nog betere deal, er zijn zoveel aanbiedingen als je goed zoekt. Verzekeringen en internetabonnementen switchen bij ons elk jaar.”

Muriël: „We hebben geen hoge huur, we hoeven praktisch nooit kleren te kopen en hebben geen dure hobby’s. Ook bij kleine uitgaven rekenen we gelijk door hoeveel dat op jaarbasis is. Het verschil tussen een dure of goedkopere fles wijn in de supermarkt lijkt weinig, maar als je dat vermenigvuldigt kom je toch op een groot bedrag uit. Dan denk ik: is dat het me waard? Het antwoord is bijna altijd nee.”

Menno: „We leven zo zuinig met een doel: we hebben deze winkel met geleend geld kunnen kopen en willen dit zo snel mogelijk aflossen. Als we 1.500 euro per maand afbetalen, hebben we de winkel over tien of twaalf jaar afbetaald.”

Muriël: „Op het moment dat de boel is afbetaald, kan je eventueel de winkel weer zelf gaan verhuren.”

Menno:  „We zien het als pensioen.”

‘Zondag is echt voor ons samen’

Menno: „Op zondag pakken we motor en gaan we de natuur in.”

Muriël: „Ik zit achterop.”

Menno: „Zondag is echt voor ons samen, daar komt niets tussen. We beslissen ook altijd samen wat we die dag gaan doen.”

Muriël: „We hebben de ongeschreven regel dat je niet in je eentje iets gaat afspreken.”

Menno: „We nodigen wel eens vrienden uit voor Triviant of een film. We gaan eigenlijk niet zoveel meer uit. Ook omdat we nu een kat hebben met diabetes. Ze moet op gezette tijden eten en insuline en hebben. We hebben wel een eetbakje met een tijdklok erin gehad, maar onze andere kat is echt een sloper, dus die maakte dat kapot.”

Muriël: „We hebben nu geen tijd voor een kind, de winkel is eigenlijk ons kind.”

Menno: „We weten ook dat er veel kinderen worden geboren in gezinnen waar eigenlijk geen plek of geld is voor een kind.”

Muriël: „Je moet een kind wat te bieden hebben. Wij werken nu zes dagen in de week, dat kun je een kind niet aandoen. Daarvoor houden we te veel van kinderen.”