De onbruikbare werkelijkheid

Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Deze week: Zelf schrijver worden van Gerard Reve

Illustratie Marike Knaapen

Op een avond in September van het jaar 1985 besteeg de volksschrijver Gerard Reve de kansel van de Pieterskerk in de oude stad L., ten einde aldaar een openbaar college te houden. Zijn onderwerp was de ‘Wet van de Onbruikbaarheid van de Werkelijkheid’, de titel van de voordracht ‘Echt gebeurd is geen excuus’.

Ik was er niet bij, die vrijdagavond; ik had een kaartje voor een week later, toen de gelegenheidshoogleraar zijn derde lezing in de reeks Zelf schrijver worden hield en iedereen de mond nog vol had van de tweede. Op de van hem bekende apodictische wijze had Reve uiteengezet dat de werkelijkheid ófwel moordend vervelend ófwel volstrekt ongeloofwaardig was; en dat een zichzelf respecterende schrijver zijn autobiografische ervaringen alleen afgezwakt diende te boekstaven. ‘Veel van wat een mens overkomt vertelt hij liever niet aan anderen, omdat hij geen zin heeft voor leugenaar gezet of uitgelachen te worden.’

Het zijn woorden om goed in je oren te knopen. Wanneer ik in de afgelopen maanden schreef over de verbazingwekkende en memorabele gebeurtenissen uit mijn leven als patiënt, deed ik dan ook mijn best om de ongeloofwaardigste verhalen weg te filteren. Ik noteerde een filosofische dialoog over de dood met mijn neefje, maar vertelde er niet bij dat hij even daarvoor in het vuur van een spelletje op de iPad had uitgeroepen: „Jij bent dood, en je had maar één leven!” Ik beschreef het bezoek van iemand die wilde dat ik meedeed aan de nieuwe ALS-bewustwordingscampagne, maar verzweeg dat zij zich liet ontvallen dat het onhandig was dat de gefotografeerde patiënten vaak zo lang wachtten met sterven. Ik vertelde wél over alle alternatieve geneeswijzen die mij werden aangereikt, maar niet over de bekende mediapsychiater, ooit een man van de wetenschap, die mijn vrouw aan de deur probeerde te overtuigen van de zegeningen van dendritische celvaccinatie.

De verleiding om te zondigen tegen Reve’s gebod op het afzwakken van de werkelijkheid was soms erg groot. Hoe graag had ik het verslag van mijn uren op de operatietafel niet verlevendigd met de uitspraken van de eerbiedwaardige hoogleraar die de PEG-sonde voor het toedienen van vloeibaar voedsel zou aanbrengen. Het was een zwijgzame man, geen lachebekje, met decennia ervaring, die gewoon was om zijn concentratie niet te verstoren door met de patiënt te praten. Nadat hij tien minuten lang alle hoeken van mijn buik geröntgend had, hoorde ik hem voor zich uit mompelen: „Normaal zit de maag vóór de darmen.” Ik was dan ook niet verbaasd toen hij de operatie afblies – wel dat hij dat deed met een stalen gezicht en een woordspeling: „Pech”.

Maar de ongeloofwaardigste slice of life had plaats op een vrijdag in september, nu iets meer dan een jaar geleden. Een droeve dag, want we hadden besloten om onze poes te laten inslapen. Bij Romeo, een vrouwtje (dat krijg je als je de kinderen een naam voor je huisdier laat verzinnen), was min of meer tegelijkertijd met mij een dodelijke ziekte gediagnosticeerd; maar bij haar was het verloop veel sneller. Het inoperabele gezwel in haar nek was zo groot geworden dat ze er ondraaglijke last van kreeg en dus belden we de dierenarts, die ’s middags zou komen.

Het toeval wilde dat het ook precies de middag was dat onze huisarts, terug van vakantie, langs zou komen om de procedures rondom euthanasie te bespreken. ALS heeft slechte vooruitzichten – er was een mogelijkheid dat ik binnen een paar maanden volledig zou aftakelen – en je kunt niet vroeg genoeg beginnen met het regelen van de goede dood. Gelukkig is onze huisarts een man zonder vals sentiment, en daarbij ook nog iemand die geen blad voor de mond neemt. En dus vertelde hij kort en zakelijk hoe zo’n euthanasie precies in zijn werk ging, als alle procedures juist waren doorlopen: je krijgt een middel waardoor je in slaap valt, en daarna een spuit die ervoor zorgt dat de ademhaling stopt.

Een uur later volgde op de theorie de praktijk. Op een bankje in de tuin zat mijn zoon met onze poes op schoot. Van de dierenarts, een kordate vrouw die zowel meelevend als no-nonsense was, kreeg Romeo een eerste injectie. Rustig sliep ze in, en toen ze na een minuut of tien niet meer reageerde op externe prikkels, zette de dierenarts de tweede spuit. Romeo stopte met ademen. Ik zou zweren dat ik op de capsules van de dierenarts dezelfde namen zag staan die eerder die middag door de huisarts genoemd waren.

„Elke keer dat ik de fout maakte de werkelijkheid onafgezwakt en in haar volle letterlijkheid toe te laten, ben ik voor die fout gestraft met ongeloof van de lezer”, zei Reve in de Pieterskerk, en hij eindigde zijn lezing met een passage uit zijn eigen autobiografische werk waarin de ik-figuur naar de provinciestad H. reed voor ‘een puike doodkist met levenslange garantie’ – om tot de ontdekking te komen dat de doodkistenmaker die ochtend net begraven werd. U moet mij geloven als ik zeg dat me deze ‘huiveringwekkende, „toeval” geheten coïncidentie’ pas opviel toen ik Zelf schrijver worden deze week herlas.