De gruwelijke groei van glibberend slijm zal de mooie zee fataal worden

De diepzee is een rijke bron van bizarre verhalen. Als de onderzoeksonderzeeër Alvin afdaalt naar de bodem van de Andamanenzee, ontdekt hij bij een hete zwavelbron een dier dat bij extreem hoge temperaturen leeft: de Pompeiiworm. Zijn achterkant verdraagt permanent 82 graden Celsius – een record.

De Pompeiiworm werd in 1980 beschreven, maar pas sinds kort wordt hij in het lab gehouden. Daar ontdekten de biologen: 54 graden Celsius is de worm te fris – dan gaat hij dood. Het onderzoek loopt.

Vreemde anekdotes zijn de kurk waarop het boek The extreme life of the sea drijft. De bekende zeebioloog Stephen Palumbi (Stanford University) schreef het samen met zijn zoon Anthony, die schrijver is. Ze maken zich zorgen over de toestand van de oceanen, maar daar is al genoeg over gezegd, vinden ze. „Hoe kan het publiek geboeid raken door de afloop van een toneelstuk als ze niet geïnteresseerd zijn in de acteurs?” En dus gaat hun boek over het zeeleven zelf, en zijn de milieuzorgen voor de goede verstaander.

Dat werkt, want de Palumbi’s schrijven goede non-fictie. Krachtig en beeldend verteld, rijk aan informatie. Knap werk. Ze leveren zeker niet de eerste beschrijvingen van duikende potvissen, maar veel populair-wetenschappelijke boeken beperken zich tot wetenschappelijke publicaties – en dan gaat het nooit over de stank uit het blaasgat.

Vader en zoon maakten een losse indeling in tien hoofdstukken, van ‘het vroegste’ tot ‘het koudste’ en ‘het raarste gezinsleven’. Ze maken hun belofte ruimschoots waar: de acteurs in het toneelstuk van de zee krijgen alle ruimte. Daarbij hebben de auteurs een bredere blik op ‘extreem leven’ dan records als de diepste duik of het heetste of snelste zeedier.

Het levert alleen niet altijd een samenhangend geheel op. Het deel over kou gaat eerst over narwallen (die walvissen met een hoorn, die trouwens een vervormde tand is). Dan meteen over naar zeeotters, antivrieseiwitten uit vis, de rol van krill in de voedselpiramide in zee, en elektriciteitscentrales uit koude stromingen. Je kan er ook een scheurkalender van maken, maar interessant is het wel.

Tussen alle verhalen waarschuwen de auteurs terloops toch een harde noot. Natuurlijk waarschuwen ze voor overbevissing. De lekkere diepzeevis die in de VS yelloweye rockfish heet, holt achteruit terwijl hij niet meer wordt gevangen dan andere vissen. Raar – tot biologen ontdekten dat de geeloog pas rond z’n twintigste geslachtsrijp wordt. Tegen die tijd is-ie al lang opgevist.

Maar vooral waarschuwen de Palumbi’s voor algen, die net als planten groeien van CO2 en zonlicht. Die groene bacteriën, eencelligen en grotere zeewieren zijn de onzichtbare ‘bom’ in de oceaan. Ze produceren in anderhalf uur even veel gewicht als de mens in een jaar aan vis en schaaldieren vangt. Hoe het precies met die cijfers zit, wordt niet helemaal duidelijk. De wereldwijde vangst bedraagt in het ene hoofdstuk 99 miljard kilo, in het andere 88 miljard. Een bronvermelding mist. Het zullen de FAO-cijfers wel zijn, en dan klopt 88 miljard wel ongeveer.

Hoe dan ook: die snelgroeiende algen kunnen zee-ecosystemen geheel ontwrichten. De auteurs geven voorbeelden, zoals in de Zwarte Zee, waar eind jaren tachtig het merendeel van de bruinvissen (een soort miniwalvis) was opgevist. Dat zette een kettingreactie in gang. Visjes, normaal opgevreten door bruinvissen, werden een plaag; die visjes aten alle garnaaltjes op; en toen waren er geen garnaaltjes meer om de eencellige algen op te eten. Samen met mest in het rivierwater leidde het tot massale algenbloei, delen van de Zwarte Zee werden onleefbaar. De Palumbi’s concluderen: het is een slippery slope to slime.