De donkere kant in mij, dat is mijn vader

Tomoko Mukaiyama is kunstenaar omdat ze dat wilde zijn en pianist omdat dat moest, vertelt ze bij noedels met paling. „Ik praat en voel via de piano.”

Tomoko Mukaiyama maakt van haar pianoconcerten kunst- en couture-installaties. „De conventie wil dat een pianist speelt zoals de componist het heeft bedoeld. Ik kan daar niet meer tegen.”

De pianiste doet de voordeur open. Sloffen aan haar voeten, haar zwarte haar met grijze strengen losjes in een paardenstaart. Tomoko Mukaiyama luncht het allerliefste thuis, in haar atelierwoning op het Amsterdamse KNSM-eiland. Ze veegt haar handen droog aan haar zwarte keukenschort. Schoenen uit, gebaart ze. Ik zet ze naast haar Prada-pumps in de hal. Ze gaat voor naar de keuken, de grootste ruimte in haar huis, groter dan de werkkamer waar twee vleugels staan. Een lang roestvrijstalen werkblad is aanrecht en tafel tegelijk. Er liggen twee paar Japanse eetstokjes klaar.

„Koken is voor mij heel meditatief”, zegt ze en schilt ondertussen een bietje. Zo zal ze, schijnbaar moeiteloos, vier gerechten bereiden die in een sterrenrestaurant niet zouden misstaan. Elk bordje als een „huwelijk” tussen oost en west; Hollandse paling met Japanse noedels, Franse haricot verts met shiitake. Fusion, noemt ze haar kookstijl. Net als haar manier van praten, een mix van Engels en Nederlands. En zo zou je ook haar muziek kunnen typeren. Ze is internationaal bekend door haar combinaties van muziek met mode, met beeldende kunst, met video en dans. Het verklaart meteen waarom haar creatie Shirokuro dit jaar is genomineerd voor de Zwaan, een prestigieuze dansprijs. In 2000 hing ze honderd plastic zakken met daarin levende vissen in een concertzaal en zette daar haar vleugel tussen. Haar boodschap: een pianist zit net zo gevangen in conventies als een vis in een kom.

Tot haar dertigste was Tomoko een pianist in een vissenkom. Klassieke stukken, traditioneel uitgevoerd. Precies zoals haar moeder het graag zag. „Zij had zelf piano willen spelen, maar mocht dat niet van mijn grootvader, een strenge communist.” Haar oudste dochter, Tomoko, moest worden wat zij niet werd. „Ze had een plan voor ieder van haar vijf kinderen. Ze wilde een dokter, een architect, aan advocaat, een ingenieur en één pianist. En je gelooft het niet: het is precies gegaan zoals zij het hebben wou.”

Was haar moeder een tijgermoeder, zo een die elk druppeltje talent uit haar kinderen perst? „Of ik werd gedwongen? Ja. Of ik een keuze had? Nee. Ik probeerde me te verstoppen, ik haatte elke les. Maar je bent vijf of zes, en accepteert dat het moet.” Maar meer nog dan van haar moeder, kwam de dwang van haar docenten. „Ik ben tot mijn 22ste van de pianokruk geslagen als ik een fout maakte.”

En dat was...normaal? „Als kind denk je van wel.” En haar moeder vond het...? „Haar vertelde ik het niet. Mijn thuissituatie leende zich niet erg voor dat soort confidenties. Mijn moeder balanceerde zelf op het randje. Ze werkte fulltime in mijn vaders houtbedrijf. Ze kookte, ze voedde de kinderen op, ze deed álles thuis.” En er was geen vader? „Jawel. Hij beeldde zich in dat hij ziek was en niet werken kon.” Ze wuift haar woorden weg alsof het lastige vliegjes zijn. „Laten we het erop houden dat het gezinsleven instabiel en niet bepaald veilig was.”

Wat haar moeder ook deed: haar elke week naar een soort kunstatelier brengen. „Tekenles, schilderen, objecten maken met bloemen. Fantasieverhalen bedenken. Dat vond ik wél heel leuk.” Dus toen ze dertien was, en net als elk Japans schoolkind een studierichting moest kiezen, koos zij voor de kunstacademie. „Maar mijn moeder koos het conservatorium. Ik heb een puur praktische afweging gemaakt. Als ik mijn pianostudie zou afbreken, was ik de piano voorgoed kwijt geweest. Musici lijken op dansers. Je begint ermee als je jong bent, het is fysiek heel zwaar, je moet het onvoorwaardelijk en zonder spoor van twijfel beoefenen. Stoppen kan niet.” Ze hoopte dat haar andere artistieke ambities ná het conservatorium wel weer zouden boven drijven. En dat gebeurde ook.

Ze laat een plaatje zien van de installatie ‘Nocturne’ die ze maakte van twee vleugels en kilo’s rode lippenstift. De vleugels werden bij de tsunami van 2011 uit een basisschool in Noord-Japan gespoeld. „Ik was er op toernee. Op straat lag een vleugel. Dood. Toen pas begreep ik de pijn van Japan echt. Vanaf mijn vijfde zit ik achter de piano, een gigantisch ding voor een klein meisje. Ik ben ermee vergroeid geraakt, het voelt als mijn lichaam. Ik praat en voel via de piano. De Japanners waren als gekken bezig alles op te ruimen wat herinnerde aan de destructie. Nocturne is een herinnering aan de ramp die was.”

„Piano is mijn ding”, zegt ze. Alleen is het plezier erin heel laat gekomen. Ze aarzelt. „Misschien dat ik het ergens in het laatste jaar van mijn opleiding een beetje leuk begon te vinden. Op m’n 24ste.” Ze deed auditie voor een beurs, en koos voor een studie aan een Amerikaans conservatorium. Waarom Amerika? „Alles beter dan Japan. En Europa trok me toen niet. Ik hield van Amerikaanse muziek.” Van Indiana, waar ze studeerde, kan ze zich nauwelijks iets herinneren. „Ik heb daar alleen maar piano gespeeld. Wat er in de wereld gebeurde? Tot mijn dertigste had ik geen idee.” Voor het eerst in haar leven kreeg ze complimentjes. „Wow, zei de docent als ik speelde. ‘Terrific.’ Wat bedoelde hij? Zo goed kon het toch niet zijn wat ik deed?” Loftuitingen geven of ontvangen is Japanners vreemd, zegt ze. „Wij blijven bescheiden tot in het absurde.”

Na Indiana kwam Amsterdam. Waarom Amsterdam? Ze zucht en haalt haar schouders op. „Er was geen plan. Het leven gebeurde. Ik twijfelde tussen Brussel, Antwerpen, Amsterdam. Ik had New York bezocht, Los Angeles, Miami. Zulke grote steden. Ik wilde op een plek wonen waar ik grip op had.” Kumano, haar geboortestad, is vrij klein, het ligt diep in de bergen van Zuid-Japan.

„Van de ambassade in Tokio had ik een lijstje namen gekregen van Nederlandse musici. Peter Schat, Louis Andriessen, Jan Wijn.” Bekende Nederlandse componisten, maar dat wist zij toen nog niet. „Ik belde de een na de ander op en vroeg of ze thee met me wilden drinken.” Ze glimlacht: „Ik vroeg: wilt u een pianostuk voor me maken. Ja hoor, zei Louis Andriessen. ‘Waarom niet?’”

Dalai Lama

Met twee stokjes bakt ze, om en om, wat reepjes gerookte paling in de pan. Haar onopgemaakte gezicht is meisjesachtig. Wat ze zegt is on-Japans open en direct. Ze was al on-Japans toen ze er woonde, zegt ze. Nu kan ze helemaal niet meer terug. „Voor Japanners ben ik te exotisch.” Haar familie woont er nog. Haar moeder, nu 74, is gescheiden van haar vader. De echtgenoot die na hem kwam, heeft ze ook „weggestuurd” en nu woont ze „heel gelukkig alleen”. Tomoko spreekt haar wekelijks. „Tip van de Dalai Lama”, lacht ze. „Bel elke week je moeder.”

Haar vader belt ze eens per jaar. Vooral uit nieuwsgierigheid. „Ik ken niemand zoals hij. Knappe man, lang, zeker voor Japanse begrippen. Mooie pakken, Italiaanse schoenen. Maar zo boosaardig negatief, dat niemand in zijn buurt kan gedijen. Toen ik klein was had hij altijd van die bevliegingen. Twee jaar lang deed hij niet anders dan 8mm-filmpjes maken. Van de ene op de andere dag stopte hij ermee en ging schilderen. Stopte daar weer mee en ging als een bezetene goudvissen kweken. Daarna bonsaiboompjes. In alles was hij krankzinnig goed, voor de tijd die het duurde.”

Inmiddels zijn we toe aan het toetje. Chocolademousse gegarneerd met rauwe stukjes cacao die iets bitter smaken. „De donkere zijde in mij, dat is hij”, zegt ze. Haar vader. Ze begint tot drie keer toe aan een brokkelige zin om het uit te leggen. Ze zegt: „Ik was een moeilijk kind...” En: „... kon moeilijk met mezelf omgaan.” Ze zwijgt. Zit de taal haar in de weg. Nee, schudt ze. „Zelfs Japans helpt me nu niet. Het valt niet te benoemen. Iedereen heeft zwarte kanten. Het verschil is dat acteurs en schrijvers en musici zichzelf confronteren met het zwart. We blijven ernaar zoeken, we blijven ernaar kijken. We proberen het bloot te leggen, het toegankelijk te maken voor anderen. En tegelijkertijd hopen we een sleutel te vinden waarmee we anderen kunnen openen.” Het is net als een verliefdheid, zegt ze. „Er gebeurt van alles in je, maar in woorden vangen kun je het niet.”

Haar vaste „gereedschap” om moeilijkheden te verslaan en te uiten is de piano. Soms is dans, videokunst, mode of een performance een geschiktere expressievorm. Of een combinatie daar weer van. Zie haar installatie ‘Wasted’, uit 2009. Een „getikt” kunstwerk, zegt ze zelf. Het is, kort gezegd, een combinatie van een pianoconcert en 12.000 witte zijden jurken. In het binnenste van de installatie staat een sculptuur van bebloede couturejurken van onder andere Issey Miyake, Comme des Garçons en Viktor & Rolf. De sculptuur symboliseert de vrouwelijke cyclus. Ze maakte het na de dood van haar echtgenoot, de fotograaf Philip Mechanicus. Hij overleed op z’n 69ste aan kanker. „Ik was 41. En zo boos. Elke maand die menstruatie. Waarom? Mijn man was dood, ik zou nooit meer een kind van hem krijgen, waarom was mijn lichaam zo wreed me daar telkens aan te herinneren.”

Ze kreeg één kind met Philip Mechanicus. Kiriko. Ze is nu negentien en net het huis uit om in Rome te studeren. „Ik ben weer alleen”, zegt Tomoko. Vrijer dan ooit om de grenzen nog iets verder op te rekken. Ze gaf al eens concerten in couturejurk, met aansluitend een verkoop van designerstukken uit haar eigen klerenkast. Mode is voor haar, net als muziek, een expressievorm. „Mijn hele jeugd droeg ik donkerblauwe uniformen. En altijd probeerde ik het zo te dragen dat ik me ietsje van de anderen onderscheidde.”

Nooit laat ze zich meer ringeloren, ze trekt zich niets meer aan van ‘hoe het hoort’. „De conventie wil dat een pianist speelt zoals de componist het heeft bedoeld. Ik kan daar niet meer tegen.” Als een dj zal ze muziekstukken mixen en matchen. „Ik pas niet meer in het klassieke systeem.”