Behoefte aan een begrijpelijk getal

Groepje driehoeksmosselen in Nederlandse wateren. Foto Corbis

Wegen alle mieren van deze wereld samen evenveel als alle mensen van deze wereld? Dat heeft de BBC zich afgelopen week nog maar eens afgevraagd.

Het is een bewering uit 1994 van de beroemde Harvard-bioloog Edward Wilson die veel mierenonderzoek deed en op zekere dag de behoefte voelde om het belang van de mier as such in een begrijpelijk getal uit te drukken.

Je ziet dat ook bij mensen die het belang van de bacterie voor de voedselvertering hebben ontdekt. Die kunnen je opeens vertellen dat er meer kilo bacteriën in je darm zitten dan hersenen in je hoofd. De wormenliefhebber legt uit dat er in de bodem onder een bos meer wormen leven dan er aan hogere dieren boven op staan, enzovoort. Er schuilt geen kwaad in.

Wilson kwam tot zijn uitspraak omdat hij geloofde dat het waar was wat de Britse entomoloog C.B. Williams decennia eerder had gezegd: dat er one million trillion insecten waren. Wilson nam aan dat één procent daarvan wel mier zou zijn en ging er bovendien kennelijk van uit dat de gemiddelde mier 60 mg woog. Dan klopt het zo’n beetje. (Het Britse trillion is 1012.)

Inmiddels staat wel vast dat de mondiaal gemiddelde mier niet eens de 6 mg haalt. Ook de schattingen over het totaal aantal mieren zijn bijgesteld, het zouden er nu maar one hundred trillion zijn. Wilson zat er alles bijeen dus een factor duizend naast. Maar hij is niet de man die zich daarover druk maakt. Lang geleden onderzocht hij het wiskundig verband tussen de grootte van eilanden en eilandjes en hun soortenrijkdom, de species-area relationship, en aan de hand daarvan berekende hij later dat de aarde tegenwoordig, door stadsuitbreiding en ontbossing, per jaar 27.000 à 100.000 soorten verliest. Tien soorten per uur, as we speak. De buitenstaander neemt zich voor de uitkomst van ecologisch rekenwerk nooit zomaar voetstoots aan te nemen.

Vorige week stond in de boekenbijlage van deze krant een mooi artikel over inheems geworden uitheemse dieren en planten in Nederland, zoals damherten, halsbandparkieten, nijlganzen en de reuzenberenklauw. De teneur was dat exoten lang niet altijd alleen maar nadeel & ongerief met zich meebrengen, zoals veel raszuivere natuurbeschermers nog steeds geloven. De halsbandparkiet, bijvoorbeeld, brengt ook veel vrolijkheid, van de bessen van de Amerikaanse vogelkers kun je jam maken en de exotische driehoeksmosselen zijn het stapelvoedsel geworden van kuifeenden en tafeleenden. Ook houden ze het IJsselmeer schoon. De driehoeksmosselen daar kunnen het meer tweemaal per maand volledig filteren, schreef Lucas Brouwers, voor de gelegenheid de Ecomare-encyclopedie citerend.

Het IJsselmeer is niet meer zo groot als vroeger, dat is waar, maar tweemaal per maand gefilterd worden door minimosseltjes die niemand ziet omdat ze drie, vier, vijf meter onder water zitten: het lijkt een beetje kras. Bedenk dat de driehoeksmossel (Dreissena polymorpha) hier zelden groter wordt dan 2 cm en dat de mosseltjes zwaar te lijden hebben gehad van de eutrofiëring. Nog steeds gaat het niet goed met ze, schreef een in 2009 verschenen rapport van Rijkswaterstaat over tweekleppigen. Tussen 2000 en 2007 nam de mosselbezetting van de IJsselmeerbodem met 90 procent af. De waterstaat koestert de mosseltjes vanwege die eenden en ook omdat ze het water filteren: actief biologisch beheer. Daarom worden ze vaak geteld.

De conclusie dat driehoeksmosselen het water van het IJsselmeer wel twee keer per maand kunnen filteren dook voor het eerst op in een artikel in Freshwater Biology van 1989. Onderzoekers van het RIZA in Lelystad brachten mosselen, na ruime gewenning, samen met onbehandelde watermonsters uit IJsselmeer en Markermeer en maten op geregelde tijdstippen hoeveel algen uit het water waren weggefilterd. Daaruit is de zogenoemde filtratiesnelheid makkelijk te berekenen, omdat de mosselen àlle partikels verwijderen uit water dat ze door hun lichaam pompen. Wat ze niet gebruiken spugen ze als vaste pakketjes pseudofeces terug op de bodem. De voornaamste ontdekking van het RIZA-trio Reeders, Bij de Vaate en Slim was was dat driehoeksmosselen labieler zijn dan je op het eerste gezicht zou denken. Worden ze plompverloren vanuit het veld in een proefopstelling gebracht dan filteren ze helemaal niet meer. Stress. Pas na een paar uur treedt volledige relaxatie op. Wie dat niet weet kan het filtervermogen sterk onderschatten. Voor de mossels van 1989 (ongeveer 21 mm groot) vonden Reeders c.s. een filtratiesnelheid van zo’n 150 ml per mosseltje per uur. Rekening houdend met de gemiddelde mosselbezetting en het volume van het IJsselmeer kwamen ze tot de genoemde conclusie. Inmiddels zijn de mosseltjes veel kleiner (nog maar 6 mm), is ook hun bezetting sterk afgenomen en mag het een wonder heten als ze het IJsselmeer in een heel jaar door het lichaam krijgen gepompt.

En er is nog iets dat te denken geeft. Het woord dat na 1989 wegviel is: ‘theoretically’. Reeders c.s. schreven dat de mosseltjes het IJsselmeer tweemaal per maand zouden kùnnen filteren. Of ze het ook deden lieten ze in het midden. Het water in hun proefopstelling (maar 25 cm hoog) werd steeds goed geroerd, de suspensie bleef gemengd. Maar het water van het IJsselmeer wordt vaak helemaal niet goed gemengd. ’s Zomers worden de bovenste waterlagen veel warmer dan die daaronder, elke zwemmer weet dat, en dat vertraagt de circulatie. Als er onvoldoende oppervlaktewater toestroomt naar de duistere dieptes waar de mossels leven, dan kunnen die filteren tot ze scheel zien, maar schiet het meer er niets mee op. Dan wordt alleen het bodemwater almaar schoner. Zonder inzicht in de watercirculatie van het IJsselmeer valt er aan het biologisch beheer niet te rekenen.