Een stevige daad

Meteen nadat de jihadist die zich Muhajiri Sháám noemt zijn broeders in een videoboodschap opriep om op te staan en „desnoods een sterke, stevige daad” tegen de Nederlandse overheid te verrichten, was het land in rep en roer. Mujahiri Sháám, die in Nijmegen gestudeerd schijnt te hebben, sprak ons toe in die hoogdravende mengeling van koranisch Nederlands en het Koningslied (Zie en kijk toe, o toeschouwers! De moedjahedien, alvorens zij gingen strijden om het volk te bevrijden…).

Niemand die erom moest lachen. Niemand wil er achteraf van beschuldigd worden dat hij een aanslag niet heeft zien aankomen, dus ziet iedereen hem nu onherroepelijk aankomen.

Zijn we bang, moeten we bang zijn, zijn we bang genoeg? Is het de islam, heeft het niks met de islam te maken? Inmiddels gaat het er elke avond over op de Nederlandse televisie. De enige echte aanslag, die op de MH17, twee maanden geleden, driehonderd doden, lijkt alweer bijna vergeten.

Ik kan niet in het hoofd van Mujahiri Sháám kijken, maar ik kan me voorstellen dat hij best tevreden is. Zijn paspoort is ingenomen en hij heeft vast niet lang meer te leven, maar als dreigen met terreur het zaaien van paniek en verwarring als doel heeft, dan kan hij voldaan het martelaarschap tegemoet gaan. Een-twee-drie heel het land op de kast.

De talloze verklaringen over de ontsporing van jongens als Mujahiri Sháám zijn als evenzoveel stukjes van een legpuzzel, maar bij elkaar vormen ze geen helder plaatje. Zo las ik een montere beschouwing in een Engelse krant van een denker die er zeker van was dat het allemaal goed zou komen – het zijn immers door-en-door verwesterde jongeren, ze maken zich serieus zorgen of ze voor hun reis naar Syrië niet eerst hun sportschoolabonnement moeten opmaken en slepen potten pindakaas mee naar het front, intussen nadenkend over het opraken van hun beltegoed. Geen zorgen dus! Mij lijkt dat lijkt hopeloos naïef en zelfgenoegzaam. Net als de uitleg van de Vlaamse „jihadistenkenner” Montasser Alde’emeh woensdag in NRC Handelsblad: „Voor jonge moslims die hun geloof honderd procent serieus nemen, is er in West-Europa geen plaats. Zo voelen ze dat. Naar Syrië gaan om er mee te strijden is een statement – je afzetten tegen het Westen – maar ook een verlossing. Eindelijk belanden ze ergens waar ze zich niet meer hoeven te verantwoorden voor waar ze in geloven.”

Zou het? Mij lijkt het dat veel jihadisten juist nergens meer in geloven. Sinds Conrads Hart der duisternis (1899) zouden we vertrouwd moeten zijn met hoe een individu verlossing kan zoeken in een ongrijpbare mengeling van doodsdrift en vernietigingsdrang. Conrads Mr Kurtz vertrekt naar de binnenlanden van Afrika met de meest hooggestemde idealen en een welbespraaktheid waar Mujahiri Sháám nog een puntje aan kan zuigen – maar op de palen van het hek van zijn woning zijn de afgehakte hoofden van zijn vijanden gespietst. Uiteindelijk wordt betekenis, of „verlossing”, gevonden in een orgie van geweld, daden van onvoorstelbare wreedheid. De uitkomst is de dood, niet het kalifaat.

Dat iemand zin aan zijn leven kan geven door het afhakken van het hoofd van een ander is voor de meeste mensen niet te begrijpen en te verkroppen, vandaar dat men met zoveel „redelijke” en „logische” verklaringen komt. Maar het is zoals Said El Haji op opiniesite Joop.nl aangaf: wil je een jihadist begrijpen, dan moet je niet de Koran gaan lezen, maar Scarface gaan kijken. Wanneer jongens als Mujahiri Sháám het over de Profeet hebben, bedoelen ze eigenlijk Tony Montana.

Dat van Nederlandse moslims nu geëist wordt dat ze zich distantiëren van de IS-beulen, speelt deze laatsten in de kaart. Zij willen juist dat moslims denken dat er een oorlog tegen de moslims wordt gevoerd, zoals Wilders cs roepen dat de islam ons de oorlog heeft verklaard. De aantrekkingskracht van die verleidelijk simpele overtuigingen vormt een grotere bedreiging voor onze samenleving dan welke terroristische dreiging dan ook. Moslims en niet-moslims zouden zich er fel tegen teweer moeten stellen, voor de verandering eens met elkaar.