Baron van Münchhausen op de fiets

Crusoë, Gulliver en Don Quichot werden allemaal verstript tot een plaatje of 20.

We zouden het tegenwoordig ‘verstrippen’ noemen, het omwerken van een literair werk tot beeldverhaal. Zoals Dick Matena dat in onze dagen bijvoorbeeld met Reve’s De avonden deed.

In de achttiende en negentiende eeuw gebeurde iets vergelijkbaars, maar dan verscheen de verstripte versie op één blad papier en was ze voor één cent te koop: de centsprent. Ze waren zowel zwart-wit als ingekleurd te koop, vaak slordig gedrukte houtsneden en nog slordiger ingekleurd. Op die manier maakten (doorgaans jeugdige) lezers kennis met beroemde en beruchte figuren uit literatuur en geschiedenis: Gulliver, Baron van Münchhausen, Don Quichot, Tijl Uilenspiegel, Genoveva van Brabant, Robinson Crusoë, Faust, etcetera. Het moesten natuurlijk aansprekende, beeldrijke verhalen zijn, vormgegeven in een plaatje of twintig.

Jeroen Salmans stelde een bundel artikelen samen over de centsprentcultuur en haar achtergronden: Sterke verhalen. Vijf eeuwen vertelcultuur. Tal van aspecten worden in bijzonder leesbare beschouwingen behandeld. We lezen over centsprenten die Narrenschip en Luilekkerland verbeelden, schurken-/heldengeschiedenissen over Cartouche en de Amsterdamse Sjako, de ‘strijd om de broek’ in het huwelijk, Kloris en Roosje.

Opmerkelijk is de gedaanteverwisseling die sommige personages in verschillende prenten vertonen. Hier is Genoveva een heilige, daar een kreng. Soms is Tijl Uilenspiegel een grappenmaker, in vroege versies gaat het om lijfschade-humor. Vermenging van verschillende hoofdpersonen komt ook voor, niet zelden ingegeven door handelsoverwegingen. Kennelijk heeft de prent over Gulliver het goed gedaan, en werd daarom een prent het licht gegeven met de titel ‘De verrezen Gulliver. Behelzende de zonderlinge reizen en avonturen van den Baron van Munchhausen’ (1790).

Het kwam voor dat een deel van het houtblok werd gebruikt voor twee geheel verschillende prenten. Geestig ook is een Münchhausen-versie van vlak na 1900 (als de houtsnede plaats heeft gemaakt voor steendruk) waarop de leugenbaron zich in plaats van te paard op een fiets door veld en beemd beweegt.

De functie van de centsprent is niet altijd dezelfde geweest. Met name door toedoen van de in 1784 opgerichte, volksontwikkelende Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen werd er in groeiende mate gemoraliseerd. Verbazingwekkend in dat verband is dat de sprookjesafdeling vaak putte uit het niet zelden gruwelijke oeuvre van Charles (‘moeder de Gans’) Perrault, in plaats van zich te baseren op de veel milder vertelde sprookjesverzameling van de gebroeders Grimm. Om een voorbeeld te noemen: bij Grimm wordt Roodkapje uit de wolvenmaag gered, bij Perrault wordt haar onnozelheid (‘Oh grootmoeder, wat hebt u…’) in een verscheurende scène afgestraft.

Salmans fraai geïllustreerde, in zijn genre voorbeeldige boek beschrijft kleurig en erudiet een bloeiende tak van de historische prenthandel (de centsprenten-omzet is op momenten bijna astronomisch te noemen), maar biedt vooral inzicht in de kracht die sommige verhalen eeuwenlang blijken te bezitten. Sterke verhalen, en dat zijn het.