Zorginstelling weg uit kleine plaatsen

Philadelphia wil niet met 200 gemeenten onderhandelen en beperkt zich tot de grote.

Philadelphia, de op één na grootste gehandicapteninstelling van Nederland, trekt zich terug uit 150 van de 200 gemeenten waar ze nu nog verstandelijk gehandicapten begeleidt. Reden zijn de hervormingen in de langdurige zorg, waarbij begeleiding van gehandicapten vanaf 1 januari een verantwoordelijkheid wordt van de gemeente. De Tweede Kamer heeft gisteren de Wet langdurige zorg aangenomen.

Philadelphia, dat altijd zaken deed met de circa dertig zorgkantoren, zegt niet te kunnen onderhandelen met 200 verschillende gemeenten. Volgens bestuursvoorzitter Greet Prins is dat onbegonnen werk en levert het een hoop bureaucratie op.

Haar organisatie (7.600 medewerkers, 360 miljoen euro omzet) kiest ervoor om alleen in de vijftig voor haar belangrijkste gemeenten mee te dingen naar nieuwe contracten voor de begeleiding van verstandelijk gehandicapten die thuis of zelfstandig wonen. Die gemeenten zijn overwegend steden.

In de 150 gemeenten waar Philadelphia stopt, begeleidt ze slechts enkele verstandelijk gehandicapten – twee tot vijf per gemeente. In totaal zullen dus 450 tot 600 verstandelijk gehandicapten moeten overstappen naar een andere zorgverlener, wat bestuursvoorzitter Prins betreurt. „Het is voor hen ingrijpend om van begeleider te veranderen omdat ze een band hebben opgebouwd.”

Medewerkers van Philadelphia begeleiden nu nog dagelijks in 200 gemeenten 3.000 verstandelijk gehandicapten die thuis wonen. Dat zijn volwassenen en kinderen. Ze zorgen dat ze werken, sociale vaardigheden leren of bijvoorbeeld sporten. Daarnaast heeft Philadelphia woonvoorzieningen voor 5.000 verstandelijk gehandicapten. Zij worden dag en nacht verzorgd en begeleid; die laatste groep blijft een verantwoordelijkheid van het Rijk.

De onzekerheid voor verstandelijk gehandicapten die thuis wonen, is nu groot, zegt Prins. Ze hebben straks geen recht meer op begeleiding, zoals nu in de langdurige zorg. Begeleiding wordt een gemeentelijke voorziening. Het budget kan opraken.

Het zou handig zijn als Philadelphia de begeleiding van patiënten met andere grote zorginstellingen zou kunnen ruilen: u neemt in dát dorp onze vijf cliënten, mét hun vaste begeleider, en wij vijf van u in een andere kleine gemeente. Dan zouden de verstandelijk gehandicapten, en hun familie, zich niet hoeven aanpassen aan een nieuwe begeleider en organisatie. Maar volgens Prins mag dat niet van de kartelautoriteiten. De Autoriteit Consument & Markt (de nieuwe naam van de NMa) behandelt de gehandicaptenzorg als een markt en beschouwt zulke afspraken als illegaal.

Het zorgbudget dat het rijk over de gemeenten verdeelt, kan ook naar andere voorzieningen gaan, zoals straatverlichting. Dat zorgt voor verschillen tussen gemeenten.

Prins merkt tijdens de onderhandelingen met gemeenten voor volgend jaar dat de ene gemeente 10 procent bezuinigt op gehandicaptenbegeleiding en de andere gemeente wel 50 procent. Door deze bezuinigingen op begeleiding én die op de langdurige zorg (wooninstellingen) zal Philadelphia de komende twee jaar 900 arbeidsplaatsen schrappen.

De bestuursvoorzitter merkt dat elke gemeente het wiel opnieuw uitvindt. Ze hebben volgens Prins niets met elkaar besproken, weten weinig van ziekte of beperkingen en tuigen afdelingen op die weer vragenlijsten opstellen om te controleren of het geld straks wel goed en eerlijk wordt besteed.

Prins: „Ze creëren papieren tijgers. Wat maakt het uit of wij op papier een goed ‘vrijwilligersbeleid’ hebben of niet? Je moet onze prestaties meten. Neem liever het oordeel van ouders; die zijn in deze sector heel kritisch, want het gaat om hun kinderen.”