Wie zorgt voor het kind dat hoofdbonkt tegen de muur?

Dagopvang van ouderen en gehandicapten wordt een gemeentetaak. En de budgetten voor tehuizen krimpen. Onzekerheid voor cliënten, ouders en instellingen. Philadelphia schrapt 900 banen.

Een meisje met een rode helm op banjert door het lokaal. Ga maar even zitten, zegt een van de begeleiders. Ze gaat op een stoel zitten, heel even. Dan springt ze weer op. Die helm is om haar hoofd te beschermen tegen ‘muurbonken’, legt locatieleider Guido van Genderen uit. Pal daarop ontsteekt een klasgenootje in woede. De begeleider praat ernstig op hem in. Het jongetje kalmeert: knuffel.

Zo gaat het de hele dag in dit lokaal van kinderdagcentrum De Trampoline in de Amsterdamse Rivierenbuurt: twee vrouwen zijn nodig om drie zesjarigen te begeleiden, te beschermen en iets bij te brengen. Ze zijn ‘intensieve-zorgkinderen’, van wie er in het land zo’n 10.000 zijn. Honderd van hen worden elke ochtend uit heel Amsterdam met busjes naar de Trampoline vervoerd en ’s middags weer opgehaald. De kinderen hebben een laag IQ, moeilijk gedrag, vaak ook een psychiatrische stoornis. Ze hebben extreem veel aandacht nodig. „Het ene moment is het gezellig en het volgende moment slaan ze alles kapot”, zegt Greet Prins, bestuursvoorzitter van Philadelphia, waar De Trampoline onder valt. „Je moet dus de hele tijd alert zijn als ouder of begeleider. Dat is inspannend.” Thuis worden sommige kinderen opgesloten in een kamer.

Deze kinderen zullen nooit zelfstandig kunnen wonen, zegt Prins. Eenmaal volwassen hebben ze nog de verstandelijke vermogens van een klein kind. Bij De Trampoline leren ze basale omgangsvormen: reageren op de ander, zindelijk zijn, handen wassen.

Ouders en opvanginstelling moeten maar afwachten hoe en of ze de dagelijkse begeleiding van intensieve-zorgkinderen na 1 januari vergoed krijgen. Het rijk stoot begeleiding van gehandicapten af. Die taak valt voortaan onder gemeenten. De ene gemeente bezuinigt er 10 procent op, vertelt Prins, de andere wel 50 procent. Zij weet dat – Philadelphia zit in 200 gemeenten. Bovendien hebben thuiswonende verstandelijk gehandicapten straks geen recht meer op begeleiding, zoals nu in de langdurige zorg. Begeleiding wordt een gemeentelijke voorziening. En dan geldt: op is op.

Er is nóg iets: elke gemeente bepaalt wat ze met haar geld doet. Het zorgbudget dat het rijk over de gemeenten verdeelt, kan dus ook naar iets anders gaan, zoals ouderenzorg of jeugdzorg.

De onzekerheid voor ouders van intensieve-zorgkinderen is een van de vele uitwassen van de bezuinigingen op de AWBZ, zegt Greet Prins, die er dag in, dag uit mee bezig is. De AWBZ vergoedt nu zorg en begeleiding van 800.000 ouderen en gehandicapten. Straks zijn dat er nog 200.000 – de heel oude en heel hulpbehoevende gehandicapten die in een instelling wonen. De rest wordt thuis verzorgd en zal naar opvanglocaties als De Trampoline gaan om de dag door te brengen en familie of partner te ontlasten. Verpleging en verzorging thuis valt dan onder de zorgverzekeraar, huishoudelijke hulp en begeleiding onder de gemeente.

De hervorming heeft meer gevolgen. Philadelphia huisvest nu 5.000 gehandicapten die er ook onder de nieuwe Wet langdurige zorg blijven. Maar voor hen krijgt Philadelphia dit jaar 1 procent minder budget, volgend jaar en in 2016 ook, en in 2017 zelfs 5 procent minder. Al met al zal Philadelphia 900 arbeidsplaatsen schrappen.

Op het binnenplein achter De Trampoline staat een grote jongen, van een jaar of zestien, hardop te zingen. Hij houdt met één hand het hek vast en wiegt met zijn bovenlichaam van voor naar achter. „Het zou er gek uitzien als hij dat op straat zou doen. Maar voor hem is het prettig. Zo komt hij tot rust. Straks kan hij weer in het atelier werken”, zegt de locatieleider.

Bij Philadelphia komen elke dag 3.000 verstandelijk gehandicapten voor les en ondersteuning. Voor die groep willen de gemeenten ‘keukentafelgesprekken’ organiseren om te beoordelen wat ze nodig hebben. Prins moet erom lachen: „Keukentafelgesprekken! Met kinderen en de ouders erbij? Dat kan helemaal niet. Sommige van onze cliënten zijn het ene moment heel lief en kunnen plotsklaps exploderen en binnen één minuut een hele kamer slopen. Dan wordt er een kast kapot geslagen of een lamp.”

Ze merkt ook dat elke gemeente het wiel opnieuw uitvindt. Ze hebben niets met elkaar afgestemd, weten weinig van ziekte of beperkingen en tuigen afdelingen op die weer hele vragenlijsten opstellen om te controleren of het geld straks wel goed en eerlijk wordt besteed.

Prins: „Ze creëren papieren tijgers. Wat maakt het uit of wij op papier een goed ‘vrijwilligersbeleid’ hebben of niet? Je moet onze prestaties meten. Neem het oordeel van de ouders; die zijn in deze sector heel kritisch, want het gaat om hun kinderen. Gemeenten organiseren een compleet nieuwe bureaucratie met allerlei lijstjes die we moeten afvinken.”

Philadelphia kan straks niet met 200 gemeenten onderhandelen, zegt Prins stellig. Ze kiest daarom voor meedingen met de aanbesteding in de 50 à 55 gemeenten waar ze de meeste WMO-cliënten heeft. Veelal steden. In die andere 150 gemeenten heeft Philadelphia er soms vijf, soms maar twee. Die cliënten moeten naar een andere organisatie. Ofwel: een nieuwe begeleider. Dat betekent onrust en onzekerheid voor het gezin.

Is het handig cliënten te ruilen met andere grote instellingen? Als u in, zeg, Renswoude mijn vijf cliënten én begeleiders overneemt, neem ik die vijf van u, plus hun begeleiders, in Graft-De Rijp erbij? Prins: „Dat mag niet van de kartelautoriteiten!” De Autoriteit Consument & Markt behandelt de gehandicaptenzorg immers als een markt en beschouwt zulke afspraken als illegaal.