‘Rouw is een ziekte die je alleen zelf kunt genezen’

De nieuwe dichtbundel van Pieter Boskma is een reeks zelfportretten vol euforie. Het is zijn manier om te overleven na de dood van zijn geliefde. „Ik heb de verplichting er iets van te maken.”

Pieter Boskma: „Rembrandt schilderde tal van zelfportretten, zonder egocentrisch te zijn.” Foto Roger Cremers

‘Alsof het wandelingen zijn, kleine reizen door de duinen, relaxed, licht van toon, geschreven op de cadans van het lopen: zo zijn mijn nieuwe gedichten”, zegt Pieter Boskma (1956) over zijn pas verschenen bundel Zelf. „Maar vergis je niet: tijdens die ogenschijnlijk ontspannen duinwandelingen gebeurt er van alles. Een eikenboom komt naast me lopen, een lichtgevende karper springt op in mijn buik, vogels vliegen rond in een gouden harnas en ik hoor de stem van mijn overleden geliefde, mijn vrouw Monique.”

Meteen in het eerste gedicht, ‘Ontwakend zelfportret’, valt een bijzondere regel op: de ik-figuur, die de dichter zelf is, rijdt met de tram langs de Herengracht naar het Museumplein. Het is een ‘prachtdag’, de zon verschijnt boven de Herengracht en ‘de mooiste meisjes fietsen blozend door de/ katerloze ochtend’. Dan komt de verrassende zin: ‘Ik spoorde rustig voort, ik leefde omdat ik dacht/ dat ik het verplicht was aan mijn omgekomen liefde’.

De euforie die u beschrijft staat in contrast tot de rouw om de dood van uw geliefde. Is gelukservaring in dit geval een plicht?

„Als je gelooft dat de overleden dierbare op een bepaalde manier voortleeft, in de geest of in herinneringen, dan kun je verder doordenken en beseffen dat zij verdriet zou kunnen hebben om jouw verdriet. Voor die ander moet het buitengewoon pijnlijk zijn als ik de rest van mijn dagen in wanhoop, razernij, woede en verdriet zou doorbrengen. Ik heb de verplichting er iets van te maken. Niet eens zozeer voor mezelf, als wel voor degene die dood is. Aanvankelijk dacht ik: ‘Als zij dood is, dan ga ik er achteraan.’ Maar uiteindelijk moet je overleven, ondanks alle rouw.”

De bundel heet ‘Zelf’ en telt bijna uitsluitend zelfportretten. Hoe is die vorm ontstaan?

„Door de Stichting Literaire Activiteiten Utrecht werd ik gevraagd een gedicht over Slauerhoff te schrijven. Het was af, en ik dacht: dit is een zelfportret. Ik kom ook uit Leeuwarden, vertrok ook naar Amsterdam en vanuit Amsterdam trok ik verder de wereld in. Slauerhoff woonde een tijdje aan de Bloemgracht in de Jordaan, ik woonde ook in de Jordaan. En we zijn allebei dichter geworden. Toen werd het idee geboren een reeks zelfportretten te schrijven, net zoals in de schilderkunst. Rembrandt schilderde tal van zelfportretten, zonder egocentrisch te zijn. Daarin vond ik inspiratie. Het zijn eerder studies van de expressie van zijn gezicht, van lichtval, van stofuitdrukking. Dat geldt ook voor mijn zelfportretten: die gaan over taal, emoties, poëzie, schoonheid. In die vorm kan ik veel verschillende aspecten laten zien, niet alleen ernst, ook humor. Naast een gedicht als ‘Zelfportret als weduwnaar’ is er ook ‘Zelfportret als vieze man’.”

U schreef uw bundel ‘Doodsbloei’ na het overlijden van uw vrouw in 2008. Dat is een autobiografische aanleiding. Toch staat er in het gedicht ‘Immanent zelfportret’ een regel die vragen oproept. Het gaat over verzen die blijven komen want het is ‘hen blijkbaar om het even hoe het mij vergaat’. Hoe nu?

„Ik leef in de overtuiging dat de gedichten die ik schrijf er al zijn. Ik hoef ze alleen maar uit de lucht te plukken. Elke middag maak ik een wandeling door de Noord-Hollandse duinen, vanuit Heiloo waar ik woon. Ik sta dan op scherp, met al mijn zintuigen. Tijdens zo’n wandeling valt mij een eerste regel te binnen, dan een tweede of een derde. Maar het gaat mij om die eerste. Die dient zich kant en klaar aan. Vanuit die regel schrijf ik thuis het gedicht. Ik kan het echter niet afdwingen. Ik wacht af. Het lijkt losjes, maar het vereist discipline. Daarom ben ik ook uit Amsterdam weggaan. Hier in de duinen is het leeg, schoon, stil.

„De poëzie heeft mij in tijd van rouw gered. Het was alsof de poëzie tegen me zei: ‘Als je maar gedichten blijft schrijven, jongen, dan komt het goed. We helpen je er wel door.’ Ik heb dus ook een verplichting jegens de poëzie. Ik ben er in mijn leven altijd geweest voor de dichtkunst, en nu was de dichtkunst er voor mij.”

Las u in die tijd ook werk van andere dichters?

„Nee, ik moet mijn werk zuiver houden voor invloeden van buitenaf. Bovendien werk ik monomaan, eigenlijk dag en nacht. Dan is er geen plaats voor andere literatuur. Ik ben verweven met mijn werk, dat is een nuchtere constatering. In de perioden dat ik niet schrijf, lees ik, graag en veel.

„In de bundel staan ook nog regels als deze: ‘ik zie het werk zijn maker helen’ en ‘ik zie een dichter, door een vers gered’. Hierin druk ik een soort dankbaarheid uit aan de poëzie. Ik schreef deze gedichten voor het eerst na jaren met de hand, met potlood op papier. Er stond niets tussen mij en de woorden in; geen toetsenbord of beeldscherm, evenmin een knipperende cursor die maar leek te zeggen: ‘Komt er nog wat van?’ Hierdoor kon ik een losse vorm bereiken en niet het strakke sonnet-achtige vormschema als in Doodsbloei.”

Uw bundel straalt van optimisme. Veel gedichten hebben een energiek begin. Een regel als ‘Ik moet nu opstaan en het heft in handen nemen’ is programmatisch.

„Dat heeft te maken met de drie fasen van rouw die ik ben doorgegaan. Vlak na de dood van een dierbare, is rouw een soort vriend: zolang die rouw er is, is de dode nog dichtbij. In verdriet ben je met hem of haar verbonden. Daarna verandert rouw in een vijand die een obstakel vormt voor nieuw geluk, voor een nieuw leven. Tot slot moet je op een ochtend tegen jezelf zeggen: nu is het voorbij, nu begint er een nieuw bestaan. Het is een ziekte die je alleen zelf kunt genezen.”

De bundel ‘Doodsbloei’ is vaak barok, met een overdaad een woorden, beeldspraak. Het is nu of u een kalmer, soms betogender toon aanslaat.

„Ja, dat klopt. Een goed gedicht voldoet aan drie eisen: muzikaliteit, beeldspraak en een achterliggend idee, een dragende gedachte. Met Zelf heb ik met grotere afstand naar mezelf gekeken. Je kunt zeggen dat je weduwnaar bent, maar een gedicht met de titel ‘Zelfportret als weduwnaar’ is toch anders. Dat schept distantie, alsof het weduwnaarschap maar een aspect is van de vele persoonlijkheden die iemand in zich draagt. Ik geef graag veel prijs, ik heb denk ik met veertien bundels een groot oeuvre gemaakt. Dat is een kwestie van temperament, ik vind dat terug in het werk van Hugo Claus en Herman Gorter. Niet dat ik me kwalitatief met hen wil vergelijken, maar de manier van werken: veel en afwisselende poëzie schrijven. Dat zegt overigens niets over kwaliteit.

„Of je tijdens je leven nu duizend of slechts vijftig gedichten hebt geschreven, aan het einde van de rit blijft van ons allen slechts een handjevol over. Als je veel geeft en uitprobeert, kun je ook makkelijk over de kop gaan. Maar dat vind ik niet erg. De verwantschap met Gorter voel ik diep; hij heeft van alles ondernomen wat in de poëzie denkbaar is. Nieuwe woordvormen, nieuwe lyriek, extatisch en ook verstild. Voor mij begint de hedendaagse poëzie bij Gorter. Hij had een onwrikbaar vertrouwen in de magie van woorden. Dat herken ik. Hij is ook de dichter van de gelukservaring; na de tijd van rouw sterkt me dat.”

De bundel ‘Zelf’ zit vol verrassingen. Het gaat over een 'kanarie op safari' en de ik-figuur ziet ‘kastelen in de lucht die geen luchtkastelen zijn’. Is dat een nieuwe weg?

„De vraag die ik me stel is die naar wat echt is en niet echt. Het spel daartussen, het vermengen van die twee, schept een nieuwe realiteit. Die van het gedicht. Ik denk dat ik dat in veel gedichten doe: het vermengen van werkelijkheden tot een andere, vreemdere werkelijkheid.

„Er zitten autobiografische verwijzingen in de bundel, maar er is meer. Dankzij de vorm van het zelfportret kan ik surrealisme, humor en gekke kantelingen van de werkelijkheid toelaten. Een zelfportret biedt vrijheid voor de fantasie. In ‘Zelfportret met Lorca-voeten’ schrijf ik een liedje over de liefde, in zijn zangrijke stijl. Ik heb ook humor willen toelaten, vandaar het gedicht ‘Zelfportret als avontuurlijke kanarie’ waarin een regel staat als dat ik ‘zou liegen als de zon nu doorbrak’. Dat zijn onverwachte wendingen waar ik van houd: die combinatie van een zon die begint te schijnen en meteen pal daarna het besef dat de dichter misschien wel liegt. Ook daar heerst het spel tussen waarheid en verzinsel.”

Het woord ‘nieuw’ speelt een grote rol. U schrijft niet zomaar over een dag maar met de woorden: ‘ja, was de dag’. Is ‘Zelf’ een nieuw begin?

„Er is een nieuwe liefde in mijn leven gekomen en ik heb een nieuw uitgeefhuis. Maar herwonnen euforie betekent niet dat er in Zelf geen verzen zitten die je doen huiveren. Zoals deze regel die in een betrekkelijk opgewekt gedicht opeens een hard contrast vormt, als een akkoord in mineur in de muziek: ‘ik zie de woede om een vroege dood’. Zeker, er is een nieuw begin, maar de rouw van de voorbije jaren trekt nog zijn sporen. De herwonnen energie overheerst. Ik beschreef mijn gedichten als ‘kleine wandelingen’, ik noem ze ook weleens een ‘trip’. Op zo’n trip gebeurt elke keer weer van alles, ook en juist in elk gedicht.”