Ook Poetin is een bolsjewiek

Orlando Figes’ geschiedenis van de Russische revolutie is een goed geschreven handboek voor studenten. Maar het kan ook gelezen worden als een verklaring voor het handelen van Vladimir Poetin.

Aleksandr Gerasimov schilderde Josef Stalin en maarschalk Kliment Voroshilov op de muren van het Kremlin, 1938. Illustratie Hollandse Hoogte

Het is jammer dat de Britse historicus Orlando Figes zijn nieuwste boek voltooide voordat de crisis in Oekraïne uitbrak. Zijn stelling dat de Russische revolutie van 1891 tot 1991 duurde en Gorbatsjov de laatste bolsjewiek was, had hij anders zeker moeten aanpassen. Want als je iets uit zijn Revolutionair Rusland 1891-1991 kunt leren, is het dat ook de huidige Russische leider, Vladimir Poetin, een bolsjewiek is, die volgens dezelfde principes handelt als zijn voorgangers Stalin en Andropov . Sterker nog, als je goed naar de geschiedenis van de Russische revolutie kijkt, past wat er nu in Oekraïne gebeurt helemaal in het patroon waarin een autoritair regime, of het nu dat van de tsaar, van Stalin of van Poetin is, een permanente oorlog nodig heeft om in eigen land te kunnen overleven en de aandacht van binnenlandse problemen af te leiden.

Wanneer je zo’n parallel met de actualiteit niet trekt, is Figes’ boek, dat eerder in het Engels verscheen als Revolutionary Russia, 1891-1991. A History niet meer dan een elegant geschreven inleiding op de geschiedenis van de Sovjet-Unie. Figes baseerde zich daarvoor uitvoerig op wat hij eerder schreef in zijn proefschrift Peasant Russia, Civil War. The Volga Countryside in Revolution, het populair-wetenschappelijke A People’s Tragedy. A History of the Russian Revolution 1891-1924, zijn cultuurgeschiedenis Natasha’s Dance, en The Whisperers, zijn aangrijpende boek over het dagelijks leven tijdens de Stalinterreur. Jammer is wel hij dit keer nalaat om rijkelijk te citeren uit egodocumenten, die zijn eerdere boeken zo levendig maakten.

De hierboven genoemde elementen beletten je echter niet om van Figes’ boek te genieten, ook al is zijn stelling om de Russische revolutie tot 1991 te laten voortduren wat gechargeerd en modieus. Want Revolutionair Rusland is een boeiend verteld verhaal, waardoor je het Russische heden voortreffelijk kunt begrijpen.

Zo beschrijft Figes de opkomst van het Oekraïense nationalisme in de decennia voorafgaand aan 1917 als een moderniseringsproces waarin boeren zich bewust werden van hun etnische afkomst en opkwamen voor het recht op onderwijs in hun eigen taal. Dat Oekraïne zich na 1917 diverse keren van Rusland probeerde af te scheiden – in 1991 met succes – is een logisch gevolg van die ontwikkeling.

Patriottisme

Daarentegen stelde tijdens de Eerste Wereldoorlog het patriottisme onder de Russen weinig voor. De oorlogsverklaring van de tsaar aan de Habsburgse keizer wekte in steden als Sint-Petersburg en Moskou weliswaar een gevoel van nationale eenheid, maar in de provincie was daar geen sprake van. De meeste Russische boeren en arbeiders hadden geen enkele band met het keizerrijk waarvoor ze vochten, laat staan dat ze wisten waarom ze ten oorlog trokken. Hun identiteit lag bij hun streek of stad, die ze tegen de Duitsers wilden verdedigen. Het verbaast je niet dat zulke soldaten makkelijk tot een opstand konden worden verleid. Dat ze tijdens de burgeroorlog van 1918-’21 uiteindelijk partij kozen voor de Roden, had niet zozeer met hun sympathie voor de bolsjewistische zaak te maken, als wel met hun angst voor represailles van de Witten, de vertegenwoordigers van de bourgeoisie en adel, tegen wie ze zich in de eerste maanden van de revolutie vaak beestachtig wreed hadden gedragen.

Aantrekkelijk is ook de vergelijking die je kunt maken tussen Poetin en de door hem bewonderde reactionaire tsaristische premier Stolypin. Die laatste beschouwde het in 1906 opgerichte parlement niet als een tegenmacht die het regeringsbeleid moest controleren, maar als een aanhangsel van de staat dat het regeringsbeleid moest bekrachtigen. Volgens Stolypin was het Russische volk te onwetend om een parlementaire democratie te kunnen begrijpen. Het is alsof je Poetin hoort, met het verschil dat het parlement in Stolypins dagen wel degelijk macht had om het regeringsbeleid te torpederen. Zo was volgens Figes de revolutie van 1917 mogelijk niet uitgebroken als Stolypins plannen om meer macht aan de boeren in het lokale bestuur te geven niet door het parlement waren afgekeurd.

Figes legt de nadruk op de bepalende rol van de Sovjetbureaucratie, die tijdens de burgeroorlog drastisch uitdijde en het gezag van de nieuwe heersers definitief vestigde. Die bureaucratie maakt in Rusland tot op de dag van vandaag de dienst uit. Hervormers als Chroesjtsjov en Gorbatsjov probeerden die ‘dictatuur van de bureaucratie’ te vervangen door de dictatuur van het proletariaat, zoals Lenin had gewild, maar slaagden daar uiteindelijk niet in.

Een ander opvallend feit dat Figes vermeldt, is dat in 1999 driekwart van Jeltsins staf en regering afkomstig was uit de oude communistische nomenklatoera. Die communistische machtselite heeft ook onder Poetin nog altijd veel macht.

Maar Figes wijst je nog op tal van andere constanten in de Russische geschiedenis. Zoals de neiging van de staatsmedia om in tijden van crisis de valse geruchten te verspreiden dat het Westen op het punt staat een oorlog tegen Rusland te beginnen. Net als nu gebeurde dat in 1927, toen door een slechte oogst en een tekort aan consumptieartikelen de boeren hun graanverkopen verminderden. Het gevolg daarvan waren de showprocessen tegen Stalins tegenstanders Trotski en Zinovjev, die als westerse spionnen werden neergezet, en van de collectivisatie van de landbouw, waarbij graanvorderingen door de staat tot een kunstmatige hongersnood leidden die aan miljoenen boeren het leven zou kosten. In Oekraïne was het verzet tegen die graanvorderingen het krachtigst, waardoor de hongerterreur van Stalin, zoals Figes vermeldt, door sommige historici als een bewust georkestreerde genocide op de Oe-

kraïners wordt beschouwd.

Sociale hiërarchie

Een andere rake vergelijking met de actualiteit die Figes je aanreikt is dat het stalinisme net als het poetinisme berust op een sociale hiërarchie, waarin dienaren van de staat grote materiële beloningen krijgen. In Poetins Rusland is een baan als ambtenaar bij veel jongeren felbegeerd, gezien de rijkdommen die ze ermee kunnen verwerven. In dat opzicht verschilt het stalinisme niet veel van het tsarisme, dat de adel met titels en bezittingen beloonde voor haar steun in het leger en de ambtenarij.

Toch waren onder Stalin de bolsjewieken in de provincie niet geliefd. Figes haalt het voorbeeld aan van de textielarbeiders van Ivanovo, die in 1941 de Duitse invasie toejuichten, omdat die een einde zou maken aan het leugenachtige Sovjetbewind.

Na de oorlog bleef het regime liegen. Zo zei Stalin na 1945 niet uit te zijn op onderwerping van Oost-Europa en werd onder Chroesjtsjov de Hongaarse opstand van 1956 in de Sovjetpers afgeschilderd als een fascistische contrarevolutie. Zie wat de Oekraïne nu overkomt.

In de laatste vijftig bladzijden van Revolutionair Rusland behandelt Figes de ambtsperiode van Gorbatsjov. Dat Gorbatsjov een gelovige communist bleef – Figes zet hem neer als een klassieke leninist die de revolutie van 1917 wilde voortzetten – is zeker waar. Maar wat zijn stelling ontkracht is dat het revolutionair elan bij de meeste Sovjetburgers in de jaren tachtig als gevolg van de vastgelopen economie ver te zoeken was. De tijd van het idealisme was voorbij, wat restte was het handhaven van de status quo. En dat is precies wat Poetin dezer dagen krampachtig probeert te doen.