Ontsnappen uit de Blokker in Emmen

Half Drenthe leek in opstand te komen na verschijning van de nieuwe roman van Peter Middendorp. Het is een mooi, machtig en vooral ironisch boek over het verlammend saaie leven in de provincie.

Peter Middendorp

Joris van Casteren kreeg vijf jaar geleden een proces aan zijn broek omdat mensen zich herkenden in zijn droog-dodelijke stadsportret Lelystad. Zo ver is het, tot dusver althans, met Peter Middendorp nog niet gekomen, maar veel scheelt het niet. In het Dagblad van het Noorden, de grootste krant van Groningen en Drenthe, ging het de laatste weken onophoudelijk over Middendorps woorden over de provincie (Drenthe) en de plaats (Emmen) waar hij ter wereld kwam en opgroeide, of die woorden nu te vinden waren in Vertrouwd voordelig of in het interview dat de schrijver aan de Volkskrant gaf. Mensen uit Drenthe waren een beetje dom en kortzichtig, schreef en sprak Middendorp. Dat is wel een beetje dom en kortzichtig, Middendorp, vonden de opiniestukken schrijvende Drenthenaren..

Hoe het ook zij, Vincent Hensel, de zestienjarige hoofdpersoon van Vertrouwd voordelig, heeft het zeer zeker niet naar zijn zin in het Emmen van de late jaren tachtig. Nog niet in staat verder te kijken dan zijn provincie lang is, stelt hij in het begin van de roman: ‘Ik lag in een bed. Het bed stond in een slaapkamer. De slaapkamer was deel van een huis dat op een Blokker was gebouwd. Die Blokker stond in de Noorderstraat. De straat lag in Emmen en Emmen in Drenthe. Het maakte dus niet uit. Hoeveel groter je de wereld om je heen ook maakte – huis, plaats, provincie – beter werd het niet.’ Drenthe, Emmen, Blokker; bijna alle vijanden van Hensel zijn hiermee wel genoemd. Omdat hij in korte tijd twee maal van school is gestuurd – en meer scholen is Emmen niet rijk – ziet hij zich genoodzaakt zijn dagen te vullen als werknemer bij de eerdergenoemde Emmense Blokker. De zaak wordt bestierd door Hensels laatste vijand – zijn vader.

Vertrouwd voordelig is een machtig boek over een jongen die opgesloten zit in een droef stemmende poel van goedkoop plastic, eenvormigheid en het inschikkelijke dat een middenstander in een kleine gemeenschap aanhangt. Hensels vader, ‘Bé’ genaamd, zou met zijn energie een bron van inspiratie kunnen zijn, maar gaat vanwege het te vriend houden van de klantenkring eerder gebogen dan met rechte rug door het leven. En Vincent ziet hem en de andere ‘goedwillende’ Emmenaren aan, met de harde blik die misschien wel verraadt dat er een schrijver in hem verborgen zit. Een van de pesterige soort. Nadat hij een overijverige Blokker-werknemer voor de zoveelste keer aan zijn afkomst heeft herinnerd, staat er dit: ‘Ik vond het niet prettig als hij zich schreeuwend over me heen boog, ik ontleende geen plezier aan die zware, harde stem. Toch kon ik het moeilijk laten om over Bargeres te beginnen als ik hem zag. Soms vroeg ik me af wat ik eigenlijk zocht in zijn verdrietige onwil om te erkennen dat hij uit Bargeres kwam.’

Vertrouwd voordelig had niet meer dan een hard boek kunnen zijn, een grafzerk op de geboortegrond. Maar Middendorp heeft er veel meer in weten te vervlechten. Dat gebeurt meestal op de ironische toon van de Volkskrant-columnist Middendorp, maar soms wordt de lezer bespeeld met lange, opsommerige zinnen waarin Vincent zichzelf de haren uit de kop lijkt te trekken van afkeer, als in een goede Dimitri Verhulst. Het krachtigst weergegeven is de atmosfeer van onveranderlijkheid. Zoals er in de meeste romans altijd wel een reddingsboei aanwezig is in de vorm van een ontdekte roeping, een studie die gevolgd moet worden of een oom die de weg zou kunnen wijzen, daar laat Middendorp zijn held in het duister zitten. Een mooie zin: ‘Het was moeilijk om over de toekomst na te denken als je niet wist wat daarin gebeurde.’

Frits van Egters had nog vrienden, maar zelfs die heeft Vincent niet. Ook ‘Lijn 50’, de buslijn die studerende Emmenaren naar Groningen vervoert, zegt hem niet veel. Het ontbreekt Vincent aan een verhaal dat hem de toekomst in leidt. Hij vindt het pas, als er al een zweem van alcoholisme om hem heen hangt, wanneer het gezin tijdelijk in een hotel komt te zitten. ‘De kamers hadden alles wat je nodig had, en ook een plank met boeken aan de muur.’

Waar de Blokker-citruspersen, zoals Vincent het na een mislukt verkooppraatje droog opmerkt, ‘niet verhalend’ zijn, daar ondervindt hij in die hotelkamer dat hij het zelf wèl is – verhalend. Het helpt hem om in zijn vader iemand anders te zien dan een sloof, en het heeft zijn schepper een heel mooi boek opgeleverd.