Moeder Marie houdt het gezin strak aan de leiband

‘Ik moet leren nadenken voor ik iets doe, zegt mama, en dat klopt wel.’ Dat is de toon van de elfjarige Mona in het eerste deel van Kom hier dat ik u kus. Het maakt de tweede roman van de Vlaamse Griet Op de Beeck (1973) een logisch vervolg op haar succesvolle debuut Vele hemels boven de zevende, dat volgens deze krant ook al ‘pseudokinderlijke aforismen’ bevatte. Effectief is het zinnetje wel: een mix van kinderlijke onnozelheid en moederlijke indoctrinatie. Op de Beeck laat scherp zien waar we aan toe zijn: Mona zucht onder het juk van haar strenge moeder, zonder het zelf te merken.

Die effectiviteit is ook een zwakte in de Vlaamse familieroman Kom hier dat ik u kus, want naïviteit wordt ergerlijk, als de bedoeling ervan al duidelijk is. Niet dat er verder geen ontwikkeling in het verhaal zit: Mona’s moeder komt om bij een auto-ongeluk, waarna vader een nieuwe vriendin neemt. Mona en haar broertje moeten Marie meteen mama noemen. Ze houdt het gezin aan haar leiband.

Dat laat zijn sporen na, die in het tweede deel – als Mona vierentwintig is – nog doorwerken. ‘Het is in het beklemtonen dat iets níet erg is’, noteert ze dan, zelfbewust, maar onmachtig om het te veranderen, ‘dat we vaak de heftigheid van de ware emotie verraden, ook al geloven we het schimmige zelfbedrog terwijl we aan het formuleren zijn.’ In het derde deel, als Mona (dan vijfendertig) een relatie in stand houdt die het ook niet helemaal is, formuleert ze dat nog scherper: ‘We saboteren onszelf zonder het te beseffen, omdat we nadoen wat ons ooit is voorgedaan, en dan denken we dat het zo móet gaan.’ Maar dan komt, als haar vader ernstig ziek in het ziekenhuis ligt, alsnog de loutering.

Dit is de roman in een notendop: er staan rake formuleringen in, maar de is erg opzichtig geconstrueerd. Het leven van Mona kent sterke scènes (een kerstdiner, pijnlijk treurige seks), maar je ziet ook erg de structuur door het verhaal heen. Op cruciale momenten blijven de personages in uitgedachte volzinnen spreken.

Dat maakt de roman minder sterk dan hij had kunnen zijn – Op de Beeck heeft zeker talent voor personages. Tekenend is dat de gehate Marie tegen het einde ontroerend intrigerend wordt. Tegen een loslopend hondje zegt ze: ‘Hé jongen, waar is uw baasje, moet gij niet aan een leiband?’ Zo kun je steeds minder volhouden dat zij schuld heeft aan Mona’s levensongeluk – misschien kón ze domweg niet anders. Dat besef slaat ook weer terug op Mona zelf. Zo krijgt Kom hier dat ik u kus toch nog een mooi ambigu, literair einde.