Literatuur en lezen opnieuw ontdekken

Romans worden vaker als iets marginaals gezien. Het voordeel daarvan is dat wanneer de maatschappelijke positie van literatuur niet langer als voornaam wordt gezien, je de betekenis ervan opnieuw kan ontdekken.

Marcos Saboya en Gualter Pupo gebruikten 250.000 boeken voor hun kunstwerk aMAZEme Foto Peter Macdiarmid/Getty Images

Of je van een nieuw genre kunt spreken weet ik niet; zeker is dat de gevoelde crisis in de literaire cultuur al flink wat boeken heeft voortgebracht die over de ervaring van het lezen zelf gaan. Zulke boeken begeven zich bewust buiten de gebaande paden van de literaire kritiek; getracht wordt te tonen wat literatuur vermag in een wereld die daar steeds minder oog voor lijkt te hebben. Een intelligent hart van de Franse essayist Alain Finkielkraut is een geslaagd voorbeeld.

Ook Een bepaald idee van de wereld van de Italiaanse successchrijver Alessandro Baricco lijkt uit dat gevoel van crisis voor te komen. ‘Ik kan me vergissen,’ schrijft hij halverwege zijn bundeling van columns over de beste boeken die hij de afgelopen tien jaar las, ‘maar mensen die tegenwoordig veel talent hebben om te schrijven, hebben ook genoeg talent om te snappen dat het niet meer zo de moeite waard is. Ik bedoel: je kunt het best doen, maar het wordt maar door weinigen opgemerkt, niemand heeft zin om erover te praten, talent wordt beschouwd als iets onelegants, romans als een marginaal genre.’ Baricco voegt daar meteen aan toe dat deze constatering juist ‘heel interessant’ is, en ‘helemaal niet weemoedig’. Hij maakt vervolgens niet duidelijk waarom dat is, maar wie zijn boekje leest – en wie zijn spraakmakende essay De barbaren kent – krijgt wel een idee: wanneer de maatschappelijke positie van de literatuur niet langer als voornaam en vanzelfsprekend wordt gezien, krijgen lezer en schrijver, de kans om de betekenis van literatuur en het lezen weer opnieuw te ontdekken.

Doodsbang

Het moet de reden zijn waarom Baricco besloot in de Italiaanse krant La Repubblica wekelijks over een boek te schrijven dat in de afgelopen tien jaar indruk op hem gemaakt had. Alleen die periode, omdat Baricco naar eigen zeggen tien jaar geleden verhuisde zonder zijn tot dan toe verzamelde boeken mee te nemen – de schrijver is dol op speelse willekeur. Heeft Een intelligent hart van Finkielkraut een bloedserieuze inzet – laten zien hoe grote literatuur ons confronteert met morele dilemma’s en ongrijpbare dubbelzinnigheden die in het spektakel van de mediacultuur aan het oog onttrokken zijn – Baricco lijkt juist doodsbang voor zulke pretenties. Hij zoekt geen betekenis in de boeken die hij goed vindt, hij wil laten zien hoe hij er toevallig tegenaan liep. Soms gaat het om diepzinnigheden, dan weer om puur leesplezier. Hij mengt alle genres opgewekt door elkaar – de autobiografie van André Agassi, westernverhalen van Elmore Leonard en gepatenteerde klassiekers als Lampedusa’s De tijgerkat. Ook de stukjes zelf zijn getoonzet als nadrukkelijk achteloos gebabbel – in het geval van De tijgerkat zegt hij eigenlijk niets over het boek, maar heeft hij wel enkele mooie observaties over waarom het boek behalve een voorbije wereld ook een voorbije taal bevat.

Naar aanleiding van vrijwel elk boek komt Baricco tot een klinkend inzicht of verrassende invalshoek. Hij legt goed uit waarom de romans van Ian McEwan hem doorgaans niet bevallen – te afgemeten, op het boekhoudkundige af – maar ook waarom Aan Chesil Beach een uitzondering is, omdat McEwan met dezelfde nauwgezetheid alle wilde tegenstrijdigheden van een eerste huwelijksnacht in 1962 beschrijft.

Toeval

Ik begrijp die achteloosheid wel. Baricco wil over de literatuur, net als over de cultuur in De barbaren, geen holle grote woorden gebruiken, niet enkel een publiek van ingewijden bedienen. Hij wil zijn geschreven leeservaringen even lukraak en ongelijksoortig laten zijn als ze in de werkelijkheid waren: je loopt toevallig tegen een boek aan. Sommige boeken veranderen je, andere zijn leuk en lekker – en het past je niet de laatste categorie minachtend te bekijken. Sommige boeken zijn vooral leerzaam, zoals Isaiah Berlins The Roots of Romanticism. Berlin is ‘een leraar die en passant memorabele microlesjes rondstrooit waarin antwoorden die je nooit eerder hebt gekregen of vragen die je nooit hebt horen stellen over elkaar heen buitelen, waardoor de term „leren” zijn meest exacte betekenis krijgt: een langgerekte emotie waarbij je na afloop meer over iets weet dan van tevoren.’

Dat laatste is goed gezegd, maar het probleem is dat de toon waarop Baricco meestal verslag doet van zijn leeservaringen juist in zijn gespeelde luchtigheid onverdraaglijk koket is. Zijn inzichten verdrinken in gebabbel, te vaak is de breed uitgespeelde bescheidenheid niets anders dan omgekeerde ijdelheid; te vaak – of eigenlijk altijd – zijn de grapjes kinderlijk flauw. Het moet te maken hebben met zijn overtuiging dat wanneer je niet pretentieus uit de hoogte wilt doen, je maar het beste op je hurken kunt gaan zitten. In De barbaren had hij daar ook al last van.

Die niet-pretentieuze houding van Baricco doet vooral gespeeld aan. Je voelt je als lezer net zo min serieus genomen als wanneer je zou worden toegesproken door een academische windbuil. Dat is jammer, want over literatuur, taal en de ervaring van het lezen zelf heeft Baricco genoeg te zeggen.