‘Kitsch fascineert mij’

Leonard Evers (1985) is componist. Het Nederlands Kamerkoor zingt komend weekeinde nieuw werk van hem, muziektheatergezelschap Oorkaan brengt zijn voorstelling ‘Krabat’.

Componist Leonard Evers Foto Bram Budel

In een loods staan volmaakt afgewerkte houten stellages van anderhalve meter hoog. Onder zoeft een tandwiel, boven draait een schijf met houten ledenpoppen die zakken meel optillen. Zaagtanden botsen met stukken schroefdraad en palletjes, waardoor een eng industrieel geknars klinkt. „Geweldig hè”, wijst componist Leonard Evers. „We zijn net terug uit Slovenië, waar die stellages gebouwd zijn en waar onze voorstelling Krabat nu vijf jaar achtereen te zien is. Poppentheater is daar een levende traditie.”

In Nederland gaat Krabat volgende maand bij Oorkaan, maar Evers schreef in opdracht van de ECHO (European Concert Hall Organisation) ook net een werk voor het Ned. Kamerkoor dat hem „meer moeite” kostte. „Het moest gaan over conflict en vrede, een zwaar thema. Ik heb mijn best gedaan, en ik hoop dat het werkt. Maar lichtheid ligt me beter.”

Hoe zou je je werk omschrijven?

Evers: „Met een stom woord: als eclectisch. Ik heb vanaf mijn zesde dagelijks gecomponeerd en een tijd klassiek trompet gestudeerd. Dat was het niet, wat ook gold voor een studie literatuurwetenschap. Het componeren trok toch harder. Ik ben gefascineerd door ‘kitsch’, muziek die werkt. Toen ben ik jazzcompositie gaan doen, maar mijn docent was meer filmcomponist en de band met de afdeling klassieke compositie was nauw. Dat was geweldig. Ik kon van alles leren, maar was overal de buitenstaander en dus ‘vrij’. Veel compositiestudenten moeten vernieuwend zijn. Dat zou mij benauwen. Mij prikkelt het ambacht. Wat gebeurt er in muziek, hoe doe je dat?”

Pas je in een traditie?

„Ik vrees: in de Nederlandse traditie. Veel Nederlandse componisten durven hun eigen muziek niet al te serieus te nemen. Daardoor houden ze afstand, en die geeft de armslag om uit verschillende tradities te putten. Dat raakt nauw aan wat ik zelf leuk en bevredigend vind aan muziek bedenken. Ik ben bang voor grote gebaren. Toen ik ooit lessen dirigeren volgde, zei men: laat je jezelf zien! Ze verwachtten dat er een ‘ware’ Leonard was die losgebroken moest worden. Dat is onzin. Streven naar subtiliteit heeft niks met schroom of leeftijd te maken, het zit in mezelf.”

Wat is de mooiste muziek?

„Als puber had ik veel met Mahlers Vierde symfonie. Om de enorme zeggingskracht onder ironie en parodie. In die zin heb ik er nog steeds veel bewondering voor. Mahlers taal werd ook bepaald door zijn tijd, wat me aan zijn werk treft is veel meer de vorm. Hoe smeed je alle muzikale elementen uit je directe leefomgeving samen tot een geheel dat theatraal werkt en het publiek raakt?

Wie is je grootste voorbeeld?

„Stravinsky, Bach, Miles Davis, Herbie Hancock, Mahler, Mercedes Sosa, Piazzolla. En Chet Baker om het pure van zijn melodieën, waaraan de harmonie ondergeschikt is. Dat hoor je ook terug in mijn stukken, denk ik – hoe verschillend die ook zijn. Dat, en een preoccupatie met ritme.”

Waar sta je over tien jaar?

„Dan hoop ik een nog beter componist te zijn: met een breder palet, effectiever in staat via muziek te communiceren. Maar het einddoel wordt nooit bereikt. De mensen die ik bewonder, zijn zoekers. Als er ontwikkeling is in mijn muziek, dan hoop ik dat ik steeds intuïtiever durf te zijn.”