Kabinetscrisis? God zij gedankt

Zelf zag hij zijn baan als premier vier jaar lang als een lijdensweg. Jaren later zagen anderen in hem een oud-collaborateur. Volgens zijn biograaf is het tijd voor een herwaardering van oer-katholiek Jan de Quay.

Jan de Quay tijdens een televisieopname in 1963 Foto Hollandse Hoogte

Het zou tegenwoordig onvoorstelbaar zijn. Een minister-president die uit het niets – hij stond nergens verkiesbaar – naar het ambt moet worden gesleept. Het overkwam Jan de Quay in 1959. De Brabantse Commissaris der Koningin wilde niet, maar de druk uit de top van de Katholieke Volkspartij – met 49 van de 150 zetels de grootste partij van het land – was immens. Al een maand voor de als gevolg van de val van het vierde kabinet Drees vervroegde verkiezingen had de katholieke interim-premier Louis Beel hem voor de functie gepolst. Hij verzette zich, maar stemde na bisschoppelijk advies en ook nog eens een persoonlijk beroep van koningin Juliana toch in. ‘Mijn lot is nu wel beslist’, noteerde hij in zijn dagboek.

Vier lange politieke jaren voor Jan de Quay gingen beginnen. Jaren waarin afscheid was genomen van ‘Vadertje Drees’, na tien jaar niet met socialisten werd geregeerd, de economie bloeide en Nederland de laatste postkoloniale stuiptrekkingen vertoonde door (vergeefs) vast te blijven houden aan Nieuw-Guinea, het laatste stukje Nederlands-Indië.

De Quays aanvankelijke weigering om vanuit zijn geliefde Brabant naar Den Haag te komen leek een herhaling van 1956. Ook toen was De Quay op voorspraak van de Nijmeegse hoogleraar en invloedrijke KVP’er Wim van der Grinten al eens gevraagd het provinciehuis in Den Bosch te verlaten om leiding geven aan een kabinet. Zijn ‘nee’ werd gerespecteerd maar niet voor lang. Enkele weken later belde KVP-leider Carl Romme met het verzoek of hij dan maar vicepremier en minister van Binnenlandse Zaken wilde worden. ‘Wat nu weer. Minister? Alstublieft niet’, vertrouwde De Quay zijn dagboek toe.

Zwak hart

Romme bleef aandringen. De cardioloog bood uitkomst. De Quays hart en lichamelijke conditie bleken niet bestand tegen de dubbele functie van vicepremier en minister. Enkele weken later werd in Den Haag een kabinet gepresenteerd zonder De Quay. In zijn dagboek schreef de 55-jarige Commissaris der Koningin: ‘Goddank. Het is aan mij voorbij gegaan. Voorgoed’. Drie jaar later werd hij dus alsnog ‘tot het ambt geroepen’.

De dagboekaantekeningen van De Quay zijn de pareltjes in de deze week verschenen biografie van historicus Cees Meijer van de in 1985 overleden bestuurder die tot de politiek werd veroordeeld. Zij geven kleur aan het bewogen en zeker niet onomstreden leven van de uit een Brabants patriciërsgeslacht afkomstige conservatieve en oer-katholieke Jan de Quay.

De dagboeken waar Meijer gretig gebruik van heeft gemaakt schetsen een even onthullend als onthutsend beeld van de man die vier jaar lang een kabinet van christen-democraten en liberalen leidde. Zijn kabinet dat in een tijd van hoogconjunctuur de volle vier jaar was blijven zitten kon op een redelijke sympathie bij de bevolking rekenen. Het was het kabinet dat in 1961 de 45-urige werkweek en de vrije zaterdag invoerde. Ook werd ten tijde van het Kabinet-De Quay in 1959 de aardgasbel onder Slochteren ontdekt. Nederland rook aan de welvaart. Het bleek bij de verkiezingen van 1963 waar de regeringspartijen goed uit kwamen, maar oppositiepartij PvdA vijf zetels verloor.

Toch heeft De Quay zelf weinig plezier beleefd aan het regeren met de economische wind mee. Het was eigenlijk één grote lijdensweg voor hem. ‘Blij dat er een jaar opzit. Nog drie? Ik hoop van niet. Toch proberen’, staat er in zijn dagboek na een jaar regeren. Als niet veel later een kabinetscrisis uitbreekt, schrijft hij: ‘Innerlijk overgelukkig en dankbaar, dat ik er vanaf ben. God zij geloofd en gedankt.’ Omdat de breuk weer geheeld werd (cabaretier Wim Kan hield er nog de carnavalshit ‘Lijmen Jan’ aan over) kon hij toch niet terug naar zijn geliefde Brabant. ‘Of we het nog 2,5 jaar uithouden? Mijns inziens niet’, meldt het dagboek. De Quay kon er maar niet aan wennen: ‘Wat een vak, wat een gedoe. Ik ben er soms misselijk van’, noteerde hij weer twee weken later.

Na vier jaar was het voorbij. Even leek het er nog op dat hij zou worden teruggevraagd. Pas nadat zijn opvolger Vic Marijnen was beëdigd wist De Quay het zeker: hij mocht weg. „Het leek wel Bevrijdingsdag”, zou zijn vrouw later zeggen.

De Haagse episode van De Quay beslaat maar een klein deel van het boek. Meijer heeft een klassieke biografie geschreven die begint met de temperatuur op zijn geboortedag in 1901 en bijna 450 pagina’s verder in 1985 eindigt met de gesteldheid van het weer op De Quays begrafenis. Het boek had met andere woorden wel wat strakker geredigeerd mogen worden. Maar via de persoon van Jan de Quay geeft het een geweldig zicht op bestuurlijk-katholiek Nederland van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

Collaboratie?

De naam van Jan de Quay zal voor eeuwig verbonden blijven met de Nederlandse Unie en daarmee tevens met Nederlands ingewikkelde verhouding met het eigen oorlogsverleden. De Unie werd in juli 1940 aan het begin van de bezettingstijd opgericht door het driemanschap De Quay, Linthorst Homan en Einthoven. In hun manifest werd gesproken over ‘erkenning van de gewijzigde verhoudingen’. Was het een vorm van collaboratie zoals Loe de Jong in de jaren zeventig vaststelde of een variant op de burgemeester-in-oorlogstijd-doctine waar de verdediging van het driemanschap op neerkwam?

Het blijft fascinerend dat de man met de omstreden rol aan het begin van de Tweede Wereldoorlog veertien jaar na het eind van die oorlog zonder noemenswaardig debat premier kon worden en pas in de late jaren zestig in brede kring alsnog veroordeeld werd voor zijn rol.

Biograaf Meijer wilde met zijn boek achterhalen of het laat naoorlogse beeld van De Quay als controversieel persoon klopt. Hij komt er niet uit, juist omdat het vaak morele oordeel over De Quays optreden zo nauw verbonden is met de heersende tijdgeest van het moment. Wel concludeert Meijer dat De Quay toe is aan ‘meer waardering’. Of dat zo is? De biografie geeft de lezer in elk geval meer dan voldoende hierover zelf te oordelen.