In het gelaat kijken – maar Poetin liegt

Soms moet je groot denken. Zeker als je iemand bent die opkijkend uit een boek betoverd raakt door het gloeiende, zwarte rood van een vredige dahlia in de septemberzon. Terwijl intussen de wereld wel kan vergaan. Je kunt nu eenmaal niet altijd Nabokov lezen, de man die zo’n mooie, terloopse definitie gaf van waarom hij vond dat romans ertoe deden: omdat je dan op een of andere manier verbonden bent met een andere staat van zijn, één „waarin kunst (nieuwsgierigheid, tederheid, zachtmoedigheid, extase) de norm is”. Precies. Dáár gaat het om, dat die dimensie bewaard blijft in het grote geweld van de wereld, en ook in de kleinere onverschilligheid jegens wat het betekent een mens te zijn als dat niet iets is wat in cijfers valt uit te drukken.

Dat laatste is precies waarom we politiek tegenwoordig zo vaak verafschuwen. Maar toen ik dus groot aan het denken was, afgelopen zaterdag, op het congres van het Nexus-instituut over oorlog en vrede, hoorde ik iemand zeggen: „Ik geloof in politiek.”

Degene die het zei was Robert Cooper, tot voor kort een topdiplomaat die heeft bemiddeld bij diverse internationale conflicten, dus iemand die heus wel wist waarover hij sprak.

Deze geloofsbekentenis was zijn antwoord op de hartstochtelijke speech van iemand die ik als een geestverwante beschouw, de essayiste Lila Azam Zanganeh. Dochter van Iraanse ballingen, opgegroeid in Frankrijk en Amerika, belezen, intelligent, door en door overtuigd van het belang van kunst, van literatuur, van Europees-westerse beschaving. Ze schreef een prachtig boek over Nabokov. Dan weet je het wel.

Haar vurige betoog was óók een geloofsbekentenis, zij beleed te geloven in al die dingen die ik hiervoor al noemde. En Coopers antwoord daarop was dus: ik geloof in politiek.

Tot mijn eigen ontzetting vond ik dat Cooper gelijk had en dat Zanganeh wel een beetje héél schöngeisterig bezig was.

Nu is Zanganeh heus niet iemand die in het wilde weg van alles mooi en dus goed vindt. Ze leest, schrijft ze in dat Nabokov-boek, „om de wereld te hertoveren”. En dat valt niet gemakkelijk, schrijft ze erbij. Je moet veel moeite doen om je toegang te verschaffen tot onbekende stijlen, lastig te veroveren gedachten en weerbarstige werelden.

Kijk, zoiets is sympathiek. Niet die houding van: het moet me meteen aanspreken anders is het niets. Niet dat moderne vlotte Engels over ‘pageturners’ die ‘unputdownable’ zijn. Dat is een misverstand. Als een boek echt van belang is moet je niet steeds een page turnen, dan moet je het af en toe neerleggen to think erover na. Je moet langzaam lezen, niet alsof je als eerste de finish moet bereiken. Bravo Lila Zanganeh.

Toch vond ik haar nu lichtelijk irritant, met haar verheven praatjes over Levinas: „We moeten de ander in het gelaat kijken!”

„Maar Poetin liegt”, zei een van de anderen aan tafel droogjes.

Ja, dan valt dat ‘gelaat van de ander’ ineens als een nogal theoretisch idee plat op zijn eigen aangezicht.

Toch heeft Zanganeh gelijk. Maar ze zat in het verkeerde discours. Je moet weten wanneer je over kunst en Tolstoj en Levinas moet beginnen.

Niet als mannen het voor het zeggen krijgen die, zoals we vorige week in deze krant konden lezen, zonder vorm van proces een vrouw in het openbaar aan de schandpaal zetten en haar laten mishandelen door wie dat wil.

De waarheid van de kunst, van nieuwsgierigheid, tederheid, zachtmoedigheid, extase, dat is waarom we zulke mannen bestrijden. Met politieke middelen.